nieuws

Snelle aanpak nodig om na-oorlogse huizen te redden: Flats moeten beter op de vraag worden afgestemd

bouwbreed

De meeste flats hebben een ongunstige prijs/kwaliteitsverhouding. In verhouding tot eengezinswoningen zijn ze te duur. Om de toekomst van flats veilig te stellen is het dan ook van belang dat de woningen aan de vraag worden aangepast. Daarbij moeten de woningcorporaties meer lange-termijn-visies ontwikkelen en strategisch durven denken. Op financiele steun van het rijk hoeft in geen geval te worden gerekend.

Prof. ing. A. Thomsen, hoogleraar Faculteit der Bouwkunde, vakgroep Volkshuisvesting en Stadsvernieuwing TU Delft, laat er geen twijfel over bestaan: “Flats hebben nog steeds een toekomst. Deze is echter niet onbedreigd. En face-lift van de na-oorlogse flats is niet voldoende om die bedreiging weg te nemen.”

Hij zei dit gisteren op het symposium ‘Hebben flats nog toekomst’, in de Utrechtse Jaarbeurs. Deze bijeenkomst was in het kader van de Internationale Bouwbeurs door Hoechst, Trespa en NRP op touw gezet.

Thomsen zei zich te verbazen over het feit dat veel problemen aan flats slechts met een face-lift worden afgedaan. “De aanpak beperkt zich in toenemende mate tot gevelrenovatie, groot-onderhoud, imagoverbetering en soms een lift erbij. Ik bepleit een fundamentelere aanpak. De woningbehoefte wordt meer en meer gedifferentieerd. En dus ligt het toekomst-perspectief van onze na-oorlogse flats steeds meer in aanbod-differentiatie.”

Keuzemogelijkheden

Met andere woorden de flats moeten zodanig worden aangepakt dat verschillende doelgroepen keuzemogelijkheden krijgen voor wat betreft de woningtype, woninggrootte, uitrusting, voorzieningen, ontsluiting, bereikbaarheid en prijsklasse.

“Te veel”, zo benadrukte Thomson, “concentreert de discussie over de toekomst van flats zich vooral op de vraag slopen of exploiteren op complex-niveau.”

Geen van beide opties biedt in de visie van de hoogleraar op termijn voldoende perspectief. “Vooral niet”, zo hield hij zijn gehoor voor, “omdat voor omvangrijke sloop/nieuwbouw het financiele en maatschappelijke draagvlak ontbreekt.”

Volgens Thomsen moet echter als een paal boven water staan dat flats een onmisbaar deel van de Nederlandse woningvoorraad is. “Allereerst qua omvang. Ze vormen een kwart van onze woningvoorraad. Stel je voor dat we die zouden moeten missen. Maar ook qua kenmerken en marktpositie. Flats vormen een belangrijk deel van de goedkopere voorraad.”

Kern

De woningen zijn, aldus de hoogleraar, voor een belangrijk deel in trek bij huishoudens zonder kinderen, starters, tweeverdieners en jongere ouderen. “Zogenaamde op de stad gerichte ‘stedelijke huishoudens’ die niet zo nodig een huis met een tuintje willen en liever wonen in een gebied met een uitgebreid voorzieningenniveau.” Thomsen ziet hierin dan ook de kern van het probleem: “De meeste flats werden na de oorlog in massa voor een standaardgezin met kinderen gebouwd. En die wonen er tegenwoordig niet meer in. Voor sommige van de bewoners die er wel wonen zijn flats daarentegen minder geschikt.”

Een belangrijk argument van de hoogleraar om de flats beter en gedifferentieerder op de vraag af te stemmen.

Overschie

Een belangrijke rol hierin spelen de woningbouwcorporaties. Ir. R. van Veen, districtsmanager van het Woningbedrijf Rotterdam onderschreef deze stelling volmondig. Wel voegde hij hier aan toe dat het dan van belang is dat corporaties lange-termijn-visies ontwikkelen. Als voorbeeld gaf de districtsmanager de grootscheepse aanpak van ruim 4500 flatwoningen in de Rotterdamse wijk Overschie. Hoewel dit po voor een belangrijk deel geslaagd kan worden genoemd zeg Van Veen ook hierbij leergeld te hebben betaald. “Zo hadden wij bij het opstellen van onze plannen te weinig rekening gehouden met een meer koopkrachtige vraag waarvoor nog niet werd gebouwd. Hierdoor moesten wij vrij veel huishoudens te goedkope woningen aanbieden of deze vertrokken uit de wijk. Een betere planning en afstemming had dit ke voorkomen.”

Korte termijn

Van Veen stelde verder dat corporaties strategischer moeten durven denken “in plaats van bij investeringen beslissen op basis van korte-termijn-effecten”. Overigens koppelde de disctrictmanager hieraan vast dat overheden meer bereid moeten zijn om mee te investeren.

Lagere overheden dan misschien wel, de rijksoverheid zal zich in ieder geval afzijdig houden als het gaat om het aanpakken van de na-oorlogse flats. Secretaris Generaal drs. R. den Dunnen van het ministerie van VROM hielp zijn toehoorders snel uit de droom: “Het rijk is ervan overtuigd dat de eigenaren en beheerders zelf in staat zijn om de oplossingen met betrekking tot de complexen te bekostigen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels