nieuws

Klassieke villa’s rond het Nieuwe Bouwen

bouwbreed

De Zwitserse kunsthistoricus J. Christoph Burkle publiceerde een reeks tijdschriftartikelen rond het Nieuwe Bouwen. Het accent ligt op de vrijstaande villa’s, waaronder het Rietveld-Schroderhuis dat ook het stofomslag verlevendigt, een uitzondering vormt als kopbebouwing tegen een blok traditionele woningen. Met enkele woningen van Le Corbusier zijn een paar alom bekende voorbeelden uit de jaren twintig in Europa opgenomen.

Het aardige van dit boek is echter, dat ook aandacht aan een groot aantal minder bekende ‘witte villa’s’ wordt besteed. Ze blijken soms nog in verrassend goede staat te verkeren.

Een woning van architect Adolf Rading in Zwenkau (omgeving Breslau) is van spectaculaire wandschilderingen, ontworpen door niemand minder dan Oskar Schlemmer. Ze verkeren nog steeds in uitstekende staat. Omdat de dochter van de opdrachtgever de woning tot nu toe bewoont, is zelfs het authentieke meubilair nog voorhanden. Het vormt een van de markantste voorbeelden van het Nieuwe Bouwen waarin een vooraanstaand kunstenaar wanden, vloeren en plafonds in samenhang met de inrichting met aangepast meubilair ontwierp.

Na een algemene inleiding die de woningbouwexperimenten in hun tijd situeert, zijn de villa’s zijn stuk voor stuk gedocumenteer. Het varieert van een woning van Frank Lloyd Wright met zijn Robiehuis in Chicago uit 1909, tot een woning van Marcel Breuer in Wiesbaden uit 1932. Behoudens het Amerikaanse voorbeeld staan alle villa’s in Europa en zijn ze behouden, soms wel in een verbouwde toestand.

Ons land is vertegenwoordigd met het huis van Rietveld, het huis Henny in Huis ter Heide van Robert van ’t Hoff en een woning van architect Otto Bartning bij Nijmegen, oorspronkelijk in 1924 nog op Duits grondgebied gebouwd. Het laatste ontwerp balanceert op de rand van organische architectuur, maar verwijst – achteraf gezien – al naar latere kerkgebouwen waarmee Bartning bekendheid heeft gekregen, vooral in Duitsland maar ook daarbuiten. Het is verrassend om de woning hier goed gedocumenteerd in aan te treffen.

Een ander interessant voorbeeld vormt het huis Lange in Krefeld van Ludwig Mies van der Rohe uit 1927, met aansluitend daarnaast een tweede woning. Beide villa’s zijn voor textieldirecteuren gebouwd en vallen op door een consequent gebruik van baksteen. De woningen zijn inmiddels gerestaureerd en in gebruik genomen als museumdependance, zodat ze dagelijks voor het publiek toegankelijk zijn geworden, waaronder veel Nederlanders. Mies ging altijd prat op de kennis die hij in zijn – korte – Nederlandse periode opdeed in het werk van Berlage, met name wat het gebruik van baksteen aangaat. De woningen uit 1927 verraden een persoonlijke interpretatie daarvan die moderner lijkt dan veel basksteenarchitectuur uit die tijd in ons land. De twee woningen tonen dan ook een vooruitlopen op het latere baksteenmodernisme van Mies, zoals dat vooral in veel studies voor landhuizen, patiowoningen en meer utilitaire opdrachten tot uitdrukking is gekomen.

Zo ontstond een interessant boek, ditmaal meer toegespitst op duurdere particuliere villa’s dan op de meer gebruikelijke sociale woningbouw. Soms is de informatie niet geheel juist, zoals bij een tekening van metselwerk in de gevel van Melkinovs woning in Moskou, die als plattegrond wordt aangeduid. Bij het huis van Robert van ’t Hoff is niet vermeld, dat verbouwingen plaatsvonden die Rietveld ontwierp, en die tot definitieve verwijdering tussen Rietveld en Van ’t Hoff leidde.

Het zijn echter ondergeschikte details die een uitzondering op de regel vormen.

Het grafisch goed verzorgde boek bevat historische zwart/wit-foto’s, deels opnieuw getekende plattegronden, archieftekeningen en recente kleurenfoto’s.

WVH

J. Christoph Burkle: ‘Wohnhauser der klassischen Moderne’. Uitgave: Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart 1994. Formaat 23 x 29,5 cm, 176 blz. ISBN: 3 421 03049 8. Prijs: (gebonden) DM 138.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels