nieuws

Inzicht in wettelijke normen voor btw-plicht op bouwgrond

bouwbreed

Op 11 april 1991 moest de staatssecretaris van Financien de opvatting herzien, dat er ook van een bouwrijp stuk grond sprake is als er in de omgeving van dat perceel voorzieningen, zoals ontsluitingswegen zijn getroffen. De Hoge Raad had namelijk in 1990 zijn opvatting, dat grond pas bouwrijp is als het perceel zelf is bewerkt en er voorzieningen zijn getroffen, die dienstbaar zijn aan dat bewuste stuk grond, nog eens uitdrukkelijk bevestigd.

Dat heeft u ke lezen in het artikel ‘een arbitrale denkfout’, dat in november 1994 in deze rubriek verscheen. Daarin vertelde ik ook, dat de voor een groot aantal bouwpercelen ten onrechte door de kopers betaalde btw aan hen terugbetaald zou moeten worden. De gemeenten, die vaak bij de uitgifte van bouwgrond als verkopers optreden, worden door het rijk als incasso-bureaus voor de btw gebruikt.

In de situatie, die ik in november van het vorige jaar beschreef moest de Raad van Arbitrage beslissen of de bouwondernemer, die een bouwterrein aan een particuliere bouwer had verkocht, de daarvoor ten onrechte in rekening gebrachte btw aan hem moest terugbetalen. Bij die beslissing probeerde de bouwkundig geschoolde arbiter een oplossing te vinden om de bouwondernemer niet met het risico te laten zitten, dat hij de aan zijn koper terug te geven btw niet van de fiscus terug zou krijgen. Gemeenten zijn vanwege dat risico ook niet zo scheutig met dat terugbetalen. De arbitrale oplossing viel in het vonnis zo uit, dat de bouwondernemer zijn ‘eventuele’ rechten op terugbetaling van die btw maar moest overdragen aan zijn koper.

Een van mijn hooggeleerde vakbroeders heeft dit een “rechtens onjuiste en hoogst onbillijke beslissing” genoemd. In datzelfde artikel suggereerde ik, dat er voor dit soort strikt juridische kwesties toch wel een wat meer gekwalificeerde arbiter in de Raad te vinden zou zijn. Het lijkt wel of de voorzitter zich dat heeft aangetrokken, want in een nieuw, vergelijkbaar geval heeft hij een jurist als arbiter aangewezen. Helaas staat ook diens vonnis aan kritiek bloot.

Wat was het geval? In augustus 1990 koopt een particulier een perceel bouwgrond van een bouwondernemer, die hem bij de levering een bedrag van bijna dertigduizend gulden aan btw in rekening brengt. Zo gauw de koper erachter komt, dat er helemaal geen btw over deze koop verschuldigd is, omdat er nog geen uitsluitend aan dit perceel dienstbare voorzieningen waren getroffen, eist hij dit bedrag terug. Een paar jaar na de koop staan zij beiden bij de Raad van Arbitrage, want in de koopovereenkomst hadden zij afgesproken, dat die hun geschillen zou beslechten.

De arbiter ging eerst eens kijken of het standpunt van de koper dat hij onverschuldigd had betaald, wel juist was. Die redeneerde, dat de verplichting tot betaling van btw voortvloeit uit de Wet op de Omzetbelasting; daarom brengt de verkoper die in rekening aan zijn koper. De koopovereenkomst heeft op het punt van de omzetbelasting dus geen zelfstandige betekenis. Als na de betaling blijkt dat de levering van het verkochte perceel vrijgesteld was van omzetbelasting staat daarmee dus vast dat er onverschuldigd betaald is. In zo’n geval moet degene aan wie onverschuldigd betaald is, dat dus terugbetalen.

Die redenering gaf de arbiter een handvat voor een constructie, waarmee hij een afwijzing van de eis tot terugbetaling kon laten steunen. Omdat die eis alleen gebaseerd was op de Wet op de Omzetbelasting dienen we ons te realiseren, dat die niet de koper maar de verkoper als belastingplichtige aanmerkt. Een ondernemer zou, aldus de arbiter, de verschuldigde btw in de aannemingssom ke verwerken ‘als vergoeding’ als hij die btw maar aan de fiscus afdraagt.

Daarom is niet de Wet op de Omzetbelasting, maar de koopovereenkomst bepalend voor de vraag of er onverschuldigd betaald is. Op grond van die overeenkomst moest de koper een bepaald bedrag betalen, wat hij ook had gedaan. Omdat niet was gebleken, dat hier sprake was van een nietige overeenkomst was het voldoen aan de daarin opgenomen betalingsverplichting niet als een onverschuldigde betaling aan te merken, zo redeneerde de arbiter.

De vraag of die overeenkomst vernietigbaar was hoefde niet aan de orde te komen omdat de koper zich niet wilde beroepen op het feit dat hij gedwaald zou hebben bij het sluiten van de koop. Met die redenering werd de vordering van de koper afgewezen.Was dat nu wel terecht? We mogen toch wel aannemen, dat de koper die btw betaalt en daardoor meer kwijt is dan de eigenlijke koopprijs, dat doet omdat hij en ook de verkoper ervan uitgaan, dat de verkoper inderdaad btw-plichtig is. Als dat niet zo blijkt te zijn zal de bedoeling van hun overeenkomst toch niet anders zijn dan dat het teveel betaalde teruggegeven wordt aan de koper!

Het zal toch niet de bedoeling van partijen zijn geweest, dat een koopsom afgesproken was ongeacht de vraag of over die koop btw verschuldigd was, zoals de arbiter redeneert. Dat aan de bedoeling van partijen ook aandacht moet worden besteed bij de uitleg van hun overeenkomst heeft onze hoogste rechter al eens heel duidelijk gezegd: als er een leemte is in de schriftelijk vastgelegde verhoudingen tussen hen moet de overeenkomst niet alleen worden aangevuld met een zuiver taalkundige uitleg van de contractsbepalingen, maar ook met wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De maatschappelijke positie van beiden kan daarbij ook van belang zijn. Wat dat laatste betreft: de bouwondernemer, een vennootschap onder firma, had toch redelijkerwijs ke weten wat de wettelijke normen zijn voor de beantwoording van de vraag of voor de verkoop van een bouwterrein btw verschuldigd is of niet. De eis, dat het als een ‘vervaardigd goed’ aangemerkt moet ke worden zal toch bij zo’n ondernemer eerder bekend zijn dan bij een argeloze particuliere koper.

Als er ergens het risico moet worden gelegd dat de fiscus dit ten onrechte betaalde bedrag niet teruggeeft, dient dat, ook op billijkheidsgronden, eerder bij deze ondernemer te worden gelegd dan bij de koper. De fout om hem btw in rekening te brengen lag immers bij degene, van wie wat meer inzicht in de btw-plicht op bouwgrond verwacht mocht worden.

(BR 1995 p. 878)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels