nieuws

Een geruisloze doorbraak van de massamaatschappij

bouwbreed Premium

Terwijl na-oorlogse politici behoudzucht beleden, hadden planners vrij baan om van Nederland een moderne massamaatschappij te maken. Om het eind van dit jaar te markeren, waarin de bevrijding en wederopbouw in vele toonaarden is herdacht, nemen wij een boek van waarlijk bijbelse proporties ter hand. De vele kilo’s zware, ruim 500 pagina’s dikke turf is getiteld: ‘Een geruisloze doorbraak’. Alleen al door deze omvang pretendeert het de eerste alomvattende geschiedenis te geven van de architectuur en stedebouw tijdens de bezetting en wederopbouw in Nederland.

Gezien de titel strekt de pretentie van de twee redacteuren Koos Bosma en Cor Wagenaar echter nog verder. Zij nemen stelling in een debat onder historici over de vraag of de oorlog nu een breuk heeft veroorzaakt in de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving of niet. De meeste historici vinden tegenwoordig van niet. Alle mogelijke vooroorlogse instituties beheersten ook na de oorlog het toneel. Pas in de jaren zestig werden ze aan het wankelen gebracht. Bosma en Wagenaar beweren echter dat de oorlog wel degelijk een breukvlak vormt. “Inderdaad, de maatschappijvernieuwing door een elite in de zin van wat gewoonlijk de Doorbraak wordt genoemd, bleek al snel een complete mislukking. Maar een andere doorbraak voltrok zich in stilte: het novum van een langdurige sturing van de woningbouw, het streven naar een nieuw stadsbeeld en het optimaal benutten van de mogelijkheden van de moderne techniek in het kader van de industrialisatie van Nederland.”

Simpel samengevat kun je zeggen dat de introductie van centrale planning en sturing de Nederlandse maatschappij fundamenteel veranderde, al viel dat niet meteen op. Alle latere veranderingen zijn van de opkomst van deze technocratie niet los te zien. Het fascinerende is dat de bouw vooropliep bij deze fundamentele verandering; dat deze, hoe geruisloos ook, door de bouw zichtbaar is gemaakt.

Wederom blijkt hiermee de bouw een essentiele indicator van maatschappelijke veranderingen. In hoeverre wij momenteel het eind van het tijdperk van centrale planning en sturing beleven, is waarschijnlijk ook het scherpst waar te nemen aan de ontwikkelingen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Als de schijn niet bedriegt zouden de grenzen van decentralisatie en deregulering weleens veel eerder bereikt ke zijn dan menigeen nu nog veronderstelt. Het debat over Randstad, Groene Hart, Vinexlocaties en de aanleg van grootschalige infrastructuur bevat indicaties dat er eerder meer dan minder sturing nodig zal zijn, al zal het karakter van de sturing veranderen.

Planning remedie tegen ‘horden’

In zijn voorwoord noemt directeur De Vreeze van het Stimuleringsfonds voor Architectuur als kenmerk van de doorbraak de schaalvergroting in de bouw. Door de massaproduktie veranderden de onderlinge posities van architecten, aannemers en overheden. Achter deze aspecten van techniek en produktie gaat echter een dieper liggend ideologisch aspect schuil. In het openingshoofdstuk beziet Cor Wagenaar de opkomst der planners tegen de achtergrond van het failliet van het liberaal-kapitalisme, dat de wereld in de jaren dertig niet had ke verhoeden voor een alomvattende crisis. Achtergrond is ook het toen al gevreesde individualisme, dat stuurloze massa’s tot een “opstand der horden” zou ke leiden. Planning was de remedie om crisis en chaos te voorkomen. Dat idee leefde op bijna alle fronten: allicht bij totalitaire systemen (communisme, nazisme, fascisme) maar ook in het traditioneel liberaal gerichte bedrijfsleven en de gematigde sociaal-democratie. Vooral die groepering bleek een broedplaats voor talentvolle planners.

Het gezin, dat in vele geschiedschrijvingen wordt gezien als factor van continuiteit voor en na de oorlog, blijkt in deze context ineens een andere betekenis te krijgen. Het werd een planningsinstrument. De individuen konden erin worden ondergebracht. In combinatie met de wijkgedachte kon zo een goed te sturen ordening worden nagestreefd: de opdeling in wijken voorkwam een ongedifferentieerde huizenzee aan de ene kant (op het grootste schaalniveau), het onderbrengen van individuen in gezinnen (op het laagste schaalniveau) voorkwam het ontstaan van ongedifferentieerde hordes.

Het boek geeft in tientallen hoofdstukken gedetailleerd aan hoe de oorlog een goede voedingsbodem kon zijn voor de opkomst van de planning. Allereerst beschrijft het welke bouwactiviteiten de Duitsers in Nederland ontplooiden en wat daarbij hun architectonische achtergrond was. Hun belangen liepen voor een groot deel parallel met die van de (wederop)bouw tijdens de oorlog bij poen in de Alblasserwaard, Grebbelinie, Middelburg, Rotterdam en vooral de Zuiderzee. Veel aandacht is er uiteraard voor het Regeringscommissariaat voor de Wederopbouw onder aanvoering van dr.ir. J.A. Ringers. Van de periode 1945-1960 zijn het politiek-organisatorische kader en de produktiemogelijkheden geschilderd. Daarna wordt in 23 hoofdstukken per plaats of regio de aanpak beschreven.

‘Koele modernisering’

De na-oorlogse wederopbouw sloot wonderwel aan op de ideeen en praktijk die al in de oorlog waren ontwikkeld. “Nooit eerder (als in de oorlog) was zoveel arbeidskracht en zoveel materiaal zo succesvol ingezet, nooit eerder werkten techniek, wetenschap en overheid zo nauw samen. (…) De notie van objectiviteit en wetenschappelijkheid verklaart waarom moderne planning, voor de oorlog nog inzet van heftige debatten, bijna geruisloos ingang vond.” Terwijl voor de oorlog de Nederlandse overheid nog uiterst principieel liberaal weigerde te intervenieren in met name de economie, om de gezonde werking van de vrije markt niet te verstoren, was daarna sturing op alle terreinen troef.

De auteurs constateren dat al tijdens de oorlog Nederland, net als de rest van Europa, de richting insloeg van een moderne massamaatschappij. Terwijl na de oorlog de politiek zich nog sterk maakte voor behoud van traditionele waarden, vond elders de echte doorbraak plaats: in de nieuwe centra, woonwijken, op het geindustrialiseerde platteland. Eeuwenoude landschappen en steden werden radicaal getransformeerd en tegelijk kwamen razendsnel de nieuwe zeden van een moderne industriele maatschappij op. “Deze door de elite niet voorziene en evenmin gewenste doorbraak droeg het karakter van een ‘koele modernisering’, die zich onderhuids voltrok.”

Plannen, ontwerpen en bouwen zijn zulke door en door culturele activiteiten dat de gebouwde omgeving nog de beste graadmeter is om veranderingen in het maatschappelijk klimaat te registreren. Luister niet naar de woorden van politici, beleidmakers en geleerden – kijk naar wat gebouwd wordt en wie daarover beslist.

Het begin van de industrialisering van de bouw: het ‘droog’ stapelen van betonblokken volgens het Muwi-systeem.

Prent uit de na-oorlogse jaren: de stedebouwkundige creeert een nieuwe stad.

K. Bosma/C. Wagenaar: ‘Een geruisloze doorbraak’. Uitg.: NAi, Rotterdam 1995, 22×33 cm, 536 blz., – 95. ISBN 90.72469.90.9

Reageer op dit artikel