nieuws

Landschapsarchitect Adriaan Geuze: ‘Bouwopgave en landschap gedetailleerd in elkaar passen’

bouwbreed Premium

De komende bouwopgave is zo veelomvattend dat die niet meer lokaal kan worden aangepakt. Dat moet op het niveau van Randstad en Groene Hart als geheel. Het ontwerp moet wel heel gedetailleerd inspelen op de mogelijkheden van elke plek op zich. De Rotterdamse landschapsarchitect Adriaan Geuze legt uit hoe men bouwopgave en landschap op elkaar moet leggen.

Landschapsarchitect Adriaan Geuze vat zijn vak ruim op. De Rotterdam Maaskantprijs voor Jonge Architecten krijgt hij volgende maand dan ook voor zijn inspirerende rol in het debat over de urbanisatie van Nederland. Voor een antwoord op de vraag of de komende bouwopgave op de gangbare manier kan worden opgelost documenteerde hij in zijn boek “In Holland staat een huis” 120 buitenwijken. Eerder al had hij in het NWR/Stawon-po “Ontwerpend aan Holland” diverse scenario’s beschreven. En voor de manifestatie AIR Alexander nam hij de uitbreidingsmogelijkheden van Rotterdam-Alexander onder de loupe. Geuze: “De ontdekking van deze studies was dat je niet in algemene termen en abstracties over de opgave kunt spreken; voor elke plek is er een eigen specifieke, genuanceerde benadering nodig.”

Alexanderpolder

“De uitbreiding van Alexanderpolder moest komen op de plaats van een ecologische corridor en precies op de dikke streep waarmee op de kaart de grens van het Groene Hart is aangegeven. Dat was bizar. Daarom hebben wij in een breder perspectief een analyse van heel Holland gemaakt”, vertelt Geuze. “In tachtig kaartjes hebben wij alles geinventariseerd, van winkels tot molens en het groen in de steden toe. Toen bleek dat Holland veel lagen kent en heel ingewikkeld is. Het heeft een van de rijkste cultuurlandschappen ter wereld, heel genuanceerd qua schaal en hoogteverschillen. Op een vanzelfsprekende manier liggen stadjes in die ingewikkelde lay-out van de polders. Het is verbazingwekkend dat je van die rijkdom niets terugziet in de na-oorlogse explosieve verstedelijking.”

Naar zijn mening is het verstandiger de “veelkleurigheid” uit te buiten in plaats van alles extreem hetzelfde te maken. Hij illustreert dat aan de hand van verschillende polders en plaatsen: “Almere is een huizenzee die past bij de weidsheid van dat landschap, een aangenaam woonmilieu in een groene setting. De stad breidt zich op vanzelfsprekende wijze uit volgens de slagen van de polder. In Woerden echter is het landschap veel ingewikkelder. Dat zou daar verloren gaan door zo’n zelfde huizenzee, die er veel botter zou zijn.”

“De Flevopolder, Haarlemmermeer en Zuidplaspolder ten zuiden van Gouda zijn jonge zeekleipolders, orthogonaal verkaveld, zonder pittoreske molens en boerderijen, op twintig minuten van de grote steden, extreem goed ontsloten. Die lenen zich door hun schaal voor een huizenzee die in jaarringen over het orthogonale patroon schuift. In tegenstelling tot de oude veenweidepolders, zoals bij Woerden. In dat landschap verleent een huizenzee geen extra dimensie aan het landschap. Er is vaak ook geen goede infrastructuur.”

Als je de bouwopgave zou bekijken voor de Randstad als geheel, zou je verschillende soorten bebouwing ke verdelen over de locaties in plaats van overal dezelfde mix te maken. Geuze: “De planning gebeurt nu op een net te kleine schaal. Elke plaats moet in zijn uitbreidingswijk alle doelgroepen onderbrengen, een hoekje met woonwagens, een sporthal en vijfhonderd eendjes. Door op een hoger niveau te plannen kun je een veel betere differentiatie tot stand brengen. Op een plaats een goed kantorenpark in plaats van elk dorp zijn eigen ‘brainpark’ van te geringe omvang, zonder creche en restaurant. Dat beklijft niet.”

Slimme strategie

Geuze schertst het probleem in historisch perspectief: “We vinden allemaal dat het Groene Hart behouden moet blijven, maar ook dat er woningen nodig zijn. Dat is een veelomvattend probleem en we ke ons niet permitteren het te bagatelliseren. De Tweede Nota Ruimtelijke Ordening was de laatste coherente operatie. Met de bouw van plaatsen als Zoetermeer, Houten, Capelle en Purmerend is die nu klaar. En nu hebben we geen slimme strategie meer, hoewel het bouwtempo niet wezenlijk is afgenomen – 80.000 woningen per jaar is nog steeds veel op de schaal van Nederland.”

Vinex noemt Geuze in dat opzicht een te simpel denkmodel. Zo mogen de locaties geografisch dicht bij de steden liggen, in de praktijk is het moeilijk om die nabijheid te realiseren. In het trekken van een scherpe grens rond het Groene Hart ziet hij ook niet veel heil. Prop je het aan een kant vol, dan zal die grens steeds opschuiven. Trouwens, dat Groen is al aardig aangeschoffeld. En wil je daar niet meer bouwen, waar moeten de huizen dan terecht komen?

Geuze: “Het is echt een heel groot probleem, want de weerzin tegen het almaar doorbouwen is groot. Het tempo is huiveringwekkend en niets is meer heilig. De vervreemding is enorm. Het is niet alleen het probleem van een ecoloog of stedebouwer. Het is een maatschappelijk vraagstuk van wonen, werken en recreeren.”

Deltaplan voor Randstad

Dat maatschappelijke vraagstuk moet worden opgelost op het niveau waarop het is geformuleerd, dat van de Randstad als geheel. De overheid moet dus niet terugtreden, slechts locaties en dichtheden aangeven, maar samen met alle betrokkenen, van beleggers tot bouwindustrie, een plan maken. Geuze: “Na de ramp van 1953 is op het niveau van die ramp wetgeving gemaakt, geld beschikbaar gesteld, onderzoek gedaan, een Deltaplan opgesteld en uitgevoerd door een aparte Deltadienst. Die uitvoering was geen blind proces maar plooide zich naar de ervaringen die werden opgedaan, met een maximale publieke betrokkenheid. Met de Flevopolders is het ook zo gegaan: met doelstellingen in een programma van eisen en een geintegreerde uitvoering door een Rijksdienst. Nederland is er heel goed in om belangrijke opgaven zo aan te pakken. Behalve blijkbaar de woningbouw.”

Al moet het probleem geformuleerd en opgelost worden op het niveau van Randstad en Groene Hart als geheel, de ontdekking van Geuze in zijn studiepoen is dat de abstracte, algemene termen moeten worden gespecificeerd.

Zo’n etiket als het Groene Hart is te algemeen. Geuze: “Je moet heel genuanceerd per plek bekijken wat het potentieel van het landschap is, welke typologie daarbij past, welke bewoners, welk gebruik. Zoals wij in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam voor de eilanden Borneo-Sporenburg een specifiek type woning hebben bedacht: laagbouw die toch stads is. Zo moet je de bouwopgave en het landschap heel genuanceerd op elkaar leggen en tot heel gedifferentieerde oplossingen komen.”

“Ik heb dus geen ‘Nationaal Plan’ voor het Groene Hart. Maar ik beheers een metier dat slimmer en genuanceerder is. En ik weet dat, als je alle talent en politieke wil ‘aanzet’, er genoeg rek en nuance in de oplossingen mogelijk is.”

Adriaan Geuze: “De weerzin tegen almaar doorbouwen is groot. Dat is een groot maatschappelijk vraagstuk, dat op het niveau van de Randstad als geheel moet worden opgelost.”

Reageer op dit artikel