nieuws

Jan van Dijk, werkgeversvoorzitter van stichting Arbouw: ‘Zonder convenant waren we in bouw al veel verder geweest met A-bladen’

bouwbreed

Werkgevers en werknemers moeten samen zorgen voor goede arbeidsomstandigheden op de bouwplaats, binnen het regelgevend kader dat wordt bepaald door het nieuwe Arbobesluit en de afspraken in de cao. En dat kan. Daarvan is Jan van Dijk, aannemer, bestuurslid van het NVOB en werkgeversvoorzitter van de stichting Arbouw overtuigd. Hij juicht de vereenvoudiging van de arbo-wetgeving toe, maar heeft tegelijkertijd begrip voor de zeer kritische opstelling van de bouwbonden van FNV en CNV. Volgens hem kan daaraan echter tegemoet worden gekomen. Hij denkt dan onder meer aan verscherpt gemeenschappelijk toezicht op de naleving van de arbo-regels (door de cao-commissie ex-artikel 8 nieuw leven in te blazen), invoeren van verplicht werkoverleg op de bouwplaats aan het begin van elke werkdag en met voortvarendheid ontwikkelen van A-bladen.

Consensus. Dat woord loopt als een rode draad door het gesprek. Jan van Dijk is een hartstochtelijk pleitbezorger van samenwerking tussen sociale partners om te komen tot zo optimaal mogelijke arbeidsomstandigheden op de bouwplaats.

“Beide partijen weten heel goed wat in de praktijk haalbaar is en dat het dus geen zin heeft doelen te stellen die nimmer te verwezenlijken zijn. Essentieel voor de bedrijfstak is dat sociale partners met elkaar blijven communiceren om samen te bereiken wat ze ook allebei willen: verbeteren van de arbeidsomstandigheden voor de man op de vloer. Maar dan wel altijd redeneren vanuit de praktijk. Als dat gebeurt, kom ik er met de bonden, die nu bezwaar maken tegen het nieuwe Arbo-besluit, wel uit.”

Risico’s beperken

Als man van de praktijk (hij is directeur van een middelgroot bouwbedrijf in Hardenberg) weet hij hoe risicovol het werken in de bouw kan zijn. Die risico’s tot een absoluut minimum beperken acht Van Dijk van belang. Voor de bouwvakker, de werkgever, de bedrijfstak en uiteindelijk ook de opdrachtgever. Want hoe veiliger en gezonder het werken in de bouw is, des te groter is de kwaliteit van het produkt.

Van Dijk is, als het op arbozorg aankomt, vrij progressief. Als werkgeversvoorzitter van Arbouw draagt hij zijn steentje bij aan het zoeken naar wegen en middelen om het werken in de bouw zo aangenaam mogelijk te maken. Maar wel met een nuchtere kijk op het realiteitsgehalte van ideeen en voorstellen.

Zijn arbo-betrokkenheid wordt hem overigens niet altijd in dank afgenomen door de eigen – vaak wat conservatievere – achterban. Die vindt nogal eens dat Van Dijk te hard van stapel loopt. “Ik ben nu eenmaal een idealist”, verdedigt hij zich.

Tegen convenant

Anderzijds trapt hij zelf overigens ook wel eens op de rem. Zo had het door toenmalig VROM-minister Nijpels vurig bepleite arbo-convenant tussen overheid en sociale partners er wat hemzelf betreft niet hoeven komen. De bewindsman heeft de werkgevers indertijd bijna over de streep moeten schoppen.

“Ik zag dat convenant echt niet zitten”, bekent hij in alle eerlijkheid: “We waren binnen Arbouw heel goed bezig. Er werd heftig gediscussieerd over een of andere vorm van arbo-normering op gebied van materialen en werkmethoden. De bonden wensten invoering van een arbo-keur. Maar dat zagen wij als werkgevers niet zitten. Wij wilden meer een beschrijvend document met sterke normerende werking, waarop partijen elkaar zouden ke aanspreken. Ik denk dat we toen, zo’n zes jaar geleden dus, al zouden zijn uitgekomen op een instructieve handleiding in de vorm van een A-blad. Het convenant heeft die ontwikkeling enorm vertraagd. Ik denk dat we zonder het convenant nu veel en veel verder zouden zijn geweest met de ontwikkeling van A-bladen. In die zin is het convenant niet goed geweest voor de bouw. De vertraging die het gaf is vreselijk jammer.”

Het enige positieve effect van het tripartite convenant is volgens Van Dijk dat “het in de pr-sfeer veel heeft losgemaakt richting opdrachtgevers en architecten. Maar voor sociale partners in de bouw heeft het de discussie over het samen verder gaan met verbeteren van arbeidsomstandigheden niet bevorderd. Over de koers waren we het in principe eens. Toen kwam dat convenant er opeens doorheen fietsen.”

Werkoverleg

Ingenomen is hij met de door staatssecretaris Linschoten geinitieerde vereenvoudiging van de arbo-regelgeving, in de vorm van een Arbobesluit, waarin ook het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandgheden is geintegreerd.

“Wij hebben als NVOB nogal geprotesteerd tegen dat Bouwprocesbesluit, omdat het weer een nieuw stuk regelgeving met administratieve verplichtingen betekende. Dat gaf extra kosten, die we niet bij de opdrachtgevers konden verhalen”, licht hij toe.

De protesten van de werkgevers hadden tot gevolg dat een van de angels, het door de bonden begeerde werkoverleg op de bouwplaats, werd geschrapt. Tot groot ongenoegen weer van de werknemers.

Van Dijk: “De bonden wilden overleg op de plek waar ook gewerkt werd. Dat kon echt niet. In de bouw is de factor arbeid al erg teruggedrongen. Ook wordt steeds meer voorbereidend werk gedaan door bouwbureaus.” Toch meent hij een – “wellicht voor de bonden eveneens aanvaardbare” – oplossing te hebben: een verplicht werkoverleg aan het begin van elke werkdag.

Bijeenroepen

“Daarin wordt al het bouwplaatspersoneel, dus niet alleen werknemers van de hoofdaannemer, maar ook van onderaannemers en toeleveranciers, bijeen geroepen en geinformeerd over de gang van zaken die dag op de bouwplaats. Welke werkzaamheden worden uitgevoerd, welke bijzondere activiteiten vinden er plaats, welke (speciale) transporten zijn te verwachten etc. Op die manier is iedereen op de hoogte van hetgeen er die dag gebeurt. Ook wordt daarbij dan gewezen op de arbo-risico’s, waarop men alert dient te zijn. Dat werkoverleg hoeft niet lang te duren. In Japan vergt dat vijf minuten. Ik ben ervan overtuigd dat die vijf minuten veel effectiever en minder kostbaar zijn dan het in Nederland eens per twee weken door de arbo-coordinator bijeen roepen van het bouwplaatspersoneel voor een bijeenkomst van een kwartier of langer”, betoogt hij.

Dodelijke ongevallen

Verbaasd is Van Dijk over het feit dat “de bouwbonden in principe geloven in de vereenvoudigde regelgeving, maar tegelijkertijd wensen vast te houden aan de oude regels”. Het verzet van de bonden, die meer onveiligheid vrezen als het nieuwe Arbo-besluit wordt ingevoerd, is volgens hem te verklaren uit de recente dodelijke ongevallen in de bouw.

Van Dijk noemt die “ontzettend tragisch” en erkent dat “ongelooflijk veel dingen op die bouwplaatsen niet goed gegaan zijn”. Maar het gaat hem te ver om op grond daarvan te concluderen dat de nieuwe regelgeving zal leiden tot meer onveiligheid in de bouw:

“In de bestekken wordt standaard een veiligheids- en gezondheidsplan (v en g plan) geeist. Daarmee is arbo-zorg gekwantificeerd. Het is een wettelijke vaste kostenpost geworden. Geen enkele opdrachtgever of architect durft die post uit de door de aannemer gemaakte begroting te schrappen. De bouw heeft daarmee een grote slag geslagen.”

Naleving van de arbo-regels is bij de bonden echter een structurele bron van zorg. Door hen uitgevoerde inspecties van bouwplaatsen brengen steeds weer aan het licht, dat veel werkgevers het niet nauw nemen met de zorg voor veiligheid en gezondheid. Vandaar dat de bonden zeer veel bezwaar hebben tegen het plan van Linschoten om juist de werkgevers verantwoordelijk te laten zijn voor het arbo-beleid. De bonden hebben geen enkel vertrouwen in die ‘vaderlijke arbo-zorg van de werkgevers’.

Toezicht op naleving

Van Dijk begrijpt het wantrouwen van de werknemers in het naleven van de arbo-afspraken door de werkgevers. Ook hier denkt hij de bonden tegemoet te ke komen:

“We ke samen toezicht op de naleving uitoefenen. We hebben een uitstekend cao-instrument om in de regio’s sancties af te dwingen, te weten de ex-artikel 8 commissie. Bedrijven die een puinzooi maken van arbeidsomstandigheden ke in dat paritaire platform aan de kaak worden gesteld. Van die commissies wordt in de praktijk onvoldoende gebruik gemaakt door sociale partners. Laten we die samen nieuw leven inblazen. Dat is pas positieve actie. Geloof me, geen enkele werkgever vindt het leuk door een collega in die commissie ter verantwoording te worden geroepen”.

Ook werkgeversorganisaties ke volgens Van Dijk iets doen aan controleren van naleving van arbo-regels en wel via de ningsregeling. Die heeft een soort zelfreinigend vermogen: “Je hebt daarmee als werkgevers een prachtige sanctiemogelijkheid ten opzichte van elkaar. Wie zich niet aan de regels houdt, kan hard worden aangepakt. Er is dan namelijk sprake van oneerlijke concurrentie.”

Tweeslachtigheid

De argwaan van de bouwbonden wordt mede gevoed door de hardnekkige weigering van de werkgevers om convenanten inzake lijmen en glas- en steenwol te ondertekenen, omdat die ook door de werknemers zijn gesigneerd.

De houding van de werkgevers is des te merkwaardiger, omdat de stichting Arbouw wel getekend heeft en daarin zitten toch ook die zelfde werkgevers. Met andere woorden: die praten met twee monden. Ze zijn voor en tegen convenanten, die beogen de veiligheid en gezondheid van bouwwerknemers te optimaliseren.

Van Dijk voelt zich daar allerminst behaaglijk bij. Hij geeft ronduit toe dat die tweeslachtigheid aan werkgeverskant “niet is uit te leggen”. Na enig aandringen bevestigt hij – aarzelend – dat het ondertekenen van die convenanten politiek zeer moeilijk lag binnen de werkgeversorganisaties. “Omdat ze niet betrokken zijn geweest bij het opstellen van de bewuste overeenkomsten. Het stuitte tegen de borst dat de werkgevers verzocht werd die ook even mee te ondertekenen”, zegt hij.

Meer wil hij niet kwijt. Daarvoor ligt de zaak intern kennelijk te gevoelig.

A-bladen maken

Maar ook op dit punt valt volgens hem snel aan de kritiek van de bouwbonden tegemoet te komen. “Arbouw zou met prioriteit A-bladen voor lijmen en glas- en steenwol ke ontwikkelen”, meent hij.

In zijn algemeenheid ziet hij, net als de bouwbonden, veel in A-bladen. “Daarmee wordt een effectieve vertaalslag gemaakt van beleid naar praktijk”, vindt hij. Arbouw is volgens hem het aangewezen kennisinstituut in de bedrijfstak om die A-bladen gestalte te geven. Het paritaire karakter van de stichting leidt er namelijk toe dat er zowel voor werkgevers als werknemers eenduidigheid in de arbo-zorg komt.

Toch tekent zich rond de A-bladen een nieuw conflict af met de bouwbonden. Die willen het opdoeken van de P-bladen door Linschoten compenseren door in de bouw-cao de toepassing van A-bladen verplicht te stellen. Dat gaat Van Dijk te ver:

“Dat leidt alleen maar tot nog dikkere cao-boekjes. Maar ik vind ook dat een verplichting ten aanzien van A-bladen voor de naleving ervan geen enkele zin heeft. Naleving van wat je met elkaar afspreekt is bovenal een kwestie van mentaliteit. Arbo-zorg behoort onderdeel te zijn van het totale bedrijfsbeleid, net als milieu- en kwaliteitszorg. Alleen met zo’n integrale benadering kun je een kwalitatief hoogstaand produkt realiseren. Dat is waar de markt om vraagt. Arbo-knoeiers prijzen zich dan onherroepelijk vanzelf een keer uit die markt…”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels