nieuws

Handhaving milieuwet vraagt gulden middenweg

bouwbreed

Het milieubeleid van de overheid richt zich niet altijd meer op het afdwingen van milieumaatregelen. VROM pleit bijvoorbeeld voor handhaving op hoofdzaken. Anderen zien meer in handhaving op basis van het managementsysteem van een bedrijf. Het blijft moeilijk te beoordelen welke alternatieve handhavingsvormen het milieu het beste dienen. In het verlengde daarvan ligt de vrees het bedrijven die het niet zo nauw met het milieu nemen daarmee te gemakkelijk te maken. Dit bleek op een bijeenkomst van het CKC in Ede.

De economische omstandigheden sporen bedrijven tot meer dynamiek aan. Die eis schrijft ondernemers volgens drs.ing. G. van Voorbergen van de Vereniging FME een flexibele bedrijfsvoering voor. Tegelijkertijd staan ondernemingen voor de taak meer aandacht en kapitaal te investeren in het milieu. Dat gebeurt onder meer op grond van overeenkomsten die op hun beurt weer leiden tot bedrijfsmilieuplannen en milieuzorgsystemen. De eisen waaraan het bedrijfsleven moet voldoen vergt een andere wijze van vergunnen en handhaven. Aan de basis daarvan moet een gecertificeerd managementsysteem liggen. Een werkbare vergunning dient alleen de hoofdlijnen aan te geven van hetgeen waaraan bedrijven zich moeten houden. Een al te grote voorzichtigheid in deze leidt evenwel tot onnodig krappe plafondwaarden.

Verwijtbaar

Handhavers dienen volgens Van Voorbergen alleen in te grijpen in gevallen van verwijtbaar gedrag. Dit houdt in dat bedrijven een eigen verantwoordelijkheid krijgen en daarop zijn aan te spreken. Van de handhavers vraagt deze werkwijze gevoel voor de situatie die verder gaat dan de letter van de wet. Mede daardoor verdwijnt het onderscheid tussen de verlener en de handhaver van de vergunning. Die moet kennis nemen van evaluatietechnieken zonder zelf op te treden als evalueerder. In de nieuwe gang van zaken moet alleen het resultaat tellen, niet de weg ernaar toe. Voorts moet een nieuwe waarde worden toegekend aan de verschillende begrippen. De (bedrijfsinterne) milieuzorg staat daarin gelijk aan de aandacht van een bedrijf voor het milieu. Het (milieu) zorgsysteem zet de weg in deze uit voor de leiding en de organisatie. Het bedrijfsmilieuplan inventariseert de voornemens voor de langere termijn terwijl het milieu-actieplan de direct te treffen maatregelen aangeeft.

Het huidige milieubeleid legt meer verantwoordelijkheden bij de bedrijven waardoor volgens ir. P. Koppert van de Milieudienst Rijnmond een grote mate van zelfregulering ontstaat. Wil dat een praktisch beslag krijgen dan moeten de verlener en de handhaver van de vergunning het bedrijfsleven een groter vertrouwen schenken. Aan de basis daarvan liggen eerder geboekte goede milieuprestaties, duidelijke maatregelen, publikatie van de resultaten en garanties voor de aanpak. Ook vertrouwen vergt een zekere mate van toezicht. Het bevoegde gezag kan zich daarvoor baseren op evaluatierapporten. Het kan daarbij gaan om rapporten die op initiatief van het bedrijf zijn opgesteld of om onderzoek dat het bevoegde gezag laat uitvoeren. Zodra ergens iets scheef loopt moeten met het bedrijf passende maatregelen worden besproken. Afhankelijk van de ernst en de verwijtbaarheid van een incident of een overtreding blijft bestuurlijk/strafrechtelijk handhaven nodig. Dat geldt ook voor gevallen waarin bedrijven de gevraagde correcties niet uitvoeren.

Moeizaam

De nieuwe gang van zaken komt neer op een verandering van rol; volgens Koppert een uitermate moeizaam proces. Vaak wordt achteraf geconstateerd dat aard en uitvoering van een taak gaandeweg zijn veranderd als gevolg van nieuwe instrumenten. Het gevolg is dat vele malen hetzelfde wiel moet worden uitgevonden of dat zelfs tegenstrijdigheden in rolverandering tussen provincies en tussen handhavers en vergunningverleners ontstaan. Het po ‘Veranderende rol’ van het IPO moet vergunningverleners en handhavers nieuwe kennis en vaardigheden aanbieden. Het ontwikkelen en bijbrengen daarvan vergt overeenstemming in het provinciale beheer inzake verlening en handhaving. Elke provincie kan afzonderlijk de nieuwe orde vorm geven zolang die in overeenstemming blijft met de gemeenschappelijke visie.

VROM bracht voor het totstand brengen van een andere relatie tussen bedrijven en overheden eerder een handreiking uit. Deze toont beide groepen hoe een vergunning op hoofdlijnen eruit kan zien en hoe en in welke gevallen een andersoortige handhaving gestalte kan krijgen. De praktische uitvoering van de handreiking zal volgens dr. P. Ververgaert van de Hoofdinspectie Milieuhygiene van VROM uitermate geleidelijk verlopen.

Temeer omdat nog slechts een beperkt aantal bedrijven over een dusdanig ontwikkeld milieuzorgsysteem beschikt dat zonder bezwaar kan dienen als grondslag voor een vergunning op hoofdlijnen. De handreiking geldt vooral voor grotere bedrijven met een (middel)grote milieubelasting of bijzondere milieurisico’s. Later moet blijken of de regels ook ke opgaan voor middelgrote en kleinere bedrijven uit deze groep. Een breed praktisch beslag vergt echter bijscholing van de betrokken milieu-ambtenaren. Het IPO, de VNG, de Unie van Waterschappen en de Inspectie Milieuhygiene treffen daartoe voorbereidingen. Het ligt in de bedoeling de handreiking over zo’n twee jaar aan te passen aan de ervaringen en nieuwe ontwikkelingen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels