nieuws

Gebrekkig sloopwerk

bouwbreed

Degene, die in de nakoming van zijn verplichtingen te kort geschoten is, kan van zijn wederpartij eisen dat hij hem binnen een redelijke termijn meedeelt wat hij wil: herstel van het gebrek of vergoeding van de schade die hij door dat gebrek lijdt.

Zo luidt de algemene bepaling in ons nieuwe Burgerlijk Wetboek over de gevolgen van een wanprestatie, die tegenwoordig met de term toerekenbare tekortkoming wordt aangeduid. De Algemene Voorwaarden, die doorgaans op aannemingsovereenkomsten van toepassing worden verklaard, hebben al lang voordat het nieuwe BW van kracht werd een heel eigen regeling voor de gevallen dat de aannemer tekort komt door een werk met een gebrek op te leveren.

Die regeling is helemaal opgebouwd rondom de vraag hoe het met de aansprakelijkheid van de aannemer voor een gebrek zit. Het tijdstip van oplevering van het werk is daarbij het uitgangspunt. Daarna is de aannemer in beginsel niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk. Alleen als het werk daarna dreigt te vergaan of als het gebrek bij de oplevering redelijkerwijs niet geconstateerd kon worden, blijft de aannemer nog vijf jaar na de oplevering aansprakelijk.

Als zijn opdrachtgever na de oplevering een tekortkoming aan het werk constateert, dient hij in beginsel de aannemer in de gelegenheid te stellen dat gebrek te herstellen. Dit is kennelijk zo vanzelfsprekend gevonden door de opstellers van de meest gebruikte algemene voorwaarden, dat zij het niet nodig vonden om dat recht van de aannemer vast te leggen. Wel, dat hij verplicht is om de gebreken, die zich in de onderhoudstermijn openbaren, voor zijn rekening te herstellen.

In een ontwerp voor de nieuwe BW-regeling van de aannemingsovereenkomst, waarover we nu al twee jaar niets meer gehoord hebben, wordt wel een verplichting van de opdrachtgever vermeld om zijn aannemer in de gelegenheid te stellen binnen een redelijke termijn die gebreken te herstellen. Alleen als dat in redelijkheid niet van hem gevraagd kan worden, hoeft hij dat niet te doen. Hoe zat het nu in het licht van het bovenstaande met de sloop van een rioolwaterzuiveringsinstallatie in Rotterdam, die binnen 85 werkbare werkdagen gereed moest zijn? Voor die sloop was in het bestek voorgeschreven, dat stalen damwanden werden aangebracht bij de zandvang, het pompgebouw en de regenwaterhumustank. Maar omdat de gemeente eerder met de woningbouw op die plaats wilde beginnen vroeg Gemeentewerken of de oplevering van het werk vier weken vervroegd kon worden. Dat was natuurlijk geen redelijk verzoek als de aannemer strikt aan het bestek gebonden bleef en daarom zei de gemeente dat er geen damwanden geslagen hoefden te worden. In plaats daarvan zou het sloopwerk zoveel mogelijk van binnen uit uitgevoerd worden, zodat de wanden van de te slopen bouwwerken nog als grondkeringen konden dienen. In november 1992 begon de sloop maar al gauw werd het werk ernstig bemoeilijkt door zware regenval. Dat het werk na de oplevering eind januari 1993 niet vlekkeloos was uitgevoerd, bleek pas toen de aannemer van de woningen op die plek, ging heien. Hij stuitte op funderingsresten van de zuiveringsinstallatie; die waren bij de oplevering niet zichtbaar omdat de ontgravingen met grond waren aangevuld. Maar was hier nu wel sprake van een verborgen gebrek, zoals Rotterdam stelde in zijn aansprakelijkstelling van de aannemer?

Allereerst moest natuurlijk de vraag aan de orde komen of de directie, die voor de gemeente toezicht had gehouden, niet had moeten zien, dat er nog funderingsresten in de grond zaten. Dat toezicht was volgens de aannemer niet zo summier geweest als de gemeente de Raad van Arbitrage wilde doen geloven. Hij vertelde de Raad dat er iemand van de gemeente twee keer per dag op het werk was geweest en dat bij elke aanvulling van een ontgraving aan de directie goedkeuring was gevraagd. Maar dat ontkende de gemeente. Ook zou de aannemer een voorbehoud hebben gemaakt na de mededeling van Rotterdam, dat de damwanden konden vervallen. De inhoud van dit voorbehoud is natuurlijk erg interessant voor de vraag of het risico, dat bij de sloop gelopen zou worden, daardoor niet van de aannemer op de opdrachtgever overging. De arbiters van de Raad besteden in hun vonnis echter geen woord aan die inhoud; zij vonden haar blijkbaar niet van belang na hun constatering, dat de aannemer het maken van een voorbehoud niet had ke bewijzen. Datzelfde gold voor de bewering, dat namens de gemeente toezicht op de sloopwerkzaamheden was gehouden. De aannemer had zich beroepen op omstandigheden, die het hem onmogelijk maakten na te gaan of hij wel volledig aan zijn verplichtingen had voldaan. Maar dan kon hij ook niet vinden dat de directie dat wel had gekund, zei de Raad. Zo kwam die tot de conclusie, dat hier sprake was van een aanvankelijk verborgen gebrek, dat ook bij nauwlettend toezicht aan de directie had ke ontgaan.

Het betekende overigens nog niet, dat de aannemer ook aansprakelijk was. Hoewel hij zich al bij aannemen van de sloop de risico’s van de overeengekomen werkwijze had ke realiseren kon onder de bijzondere omstandigheden van dit geval niet in redelijkheid van hem verlangd worden dat hij ook instond voor de nadelige gevolgen van die risico’s, zo redeneerden de arbiters. Dus toch niet aansprakelijk en daarom niet schadeplichtig. De gemeente Rotterdam kreeg echter een niet geringe pleister op de wonde: de aannemer had immers – zij het onbewust – minder werk verricht dan hij had moeten doen. Daarom kreeg Rotterdam van de Raad aanspraak op verrekening wegens minderwerk. Het bedrag daarvan bepaalden de heren op – 35.000 en dat was nog aanzienlijk meer dan de rekening voor meer- en minderwerk, die de gemeente weigerde te betalen.

Omdat de systematiek in deze uitspraak nogal wat te wensen overlaat, een echte motivering van de conclusies van de arbiters vaak ontbreekt en belangrijke gegevens ons onthouden worden, is dit bepaald geen schoolvoorbeeld van een arbitraal vonnis, waaraan pas benoemde scheidslieden ke zien hoe het moet. Wat dat betreft ke zij beter de uitspraak van de Raad van 16 maart van dit jaar lezen. Die is logisch en systematisch opgebouwd; hij geeft ook in een uitvoerige paragraaf alle van belang zijnde feiten weer, iets wat ik zo vaak mis in arbitrale vonnissen van de Raad.

In het hierboven besproken geval blijft de lezer immers volledig onkundig over de inhoud van de voorbehoud dat de aannemer gemaakt zou hebben bij het akkoord gaan met het weglaten van de stalen damwand. Ook mist hij de reden voor de conclusie dat de aannemer niets had ke bewijzen; we lezen alleen dat de aannemer “geen bewijs van voornoemde stellingen had bijgebracht”. Betekende dit dat hij geen getuigen of schriftelijke stukken had ke voorbrengen, of dat die er wel waren maar dat zij de arbiters niet hadden ke overtuigen?

(BR 1995 p. 870)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels