nieuws

Fiscale ruimte voor flexibele pensioenregeling

bouwbreed Premium

Het keurslijf van pensioen op 65 jaar is voorbij. Het eindrapport van de werkgroep Fiscale Behandeling van Pensioenen, ook bekend als de commissie Witteveen, bevat 29 aanbevelingen voor het creeren van fiscale ruimte voor flexibele pensioenregelingen.

Staatssecretaris Vermeend heeft aan zijn belastinginspecties laten weten achter de aanbevelingen te staan en deze – voor zover de wet dit toelaat – direct toe te staan. De komende jaren zullen werknemers en werkgevers overleg gaan voeren in hoeverre in hun pensioenregeling de geboden ruimte wordt benut. De huidige VUT-regelingen ke worden omgezet in zogenaamde pre-pensioenregelingen die binnen 10 jaar aan de nieuwe voorwaarden dienen te voldoen. Binnen vijf jaar (voor 4 september 2000) moeten alle pensioenregelingen aan de nieuwe regelgeving zijn aangepast.

In de Wet op de Loonbelasting staat als definitie van het pensioen ‘wat naar maatschappelijke opvattingen redelijk wordt geacht’. Daaraan is niets veranderd. Tot nu toe was de norm een pensioen van 70% van het tverdiende salaris, opgebouwd in 40 dienstjaren met een jaaropbouw van 1,75% van het bruto jaarloon en een verplichte ingangsleeftijd op 65 jaar. Daar viel niet aan te tornen. Er was geen ruimte voor eerder of later met pensioen.

Inmiddels is de maatschappelijke opvatting over de pensioenleeftijd veranderd. De VUT maakte eerder uittreden wel mogelijk, maar de pensioenleeftijd was nog steeds 65 jaar. Daarom heeft het kabinet het wettelijk leeftijdskader verruimd. Sinds 4 september 1995 is pensioen, flexibel invulbaar – afgestemd op de individuele wensen en omstandigheden. Als een werkgever en werknemer het daar samen over eens zijn kan een werknemer reeds vanaf 55 jaar met pensioen.

Pensioenrichtleeftijd

Werkgevers ke in overleg met werknemers op basis van het nieuwe pensioenregime een zogenaamde ‘pensioenrichtleeftijd’ gaan vaststellen. Dit is de leeftijd waarop een werknemer met pensioen kan gaan met 70% van het eindloon. De bandbreedte daarvoor is tussen 60 en 65 jaar. Het maximum opbouwpercentage mag worden verhoogd tot maximaal 2% van de pensioengrondslag per jaar. In 35 dienstjaren bouwt een werknemer dus een eindloonpensioen op van 70%. Ook voor werknemers die tot nu toe volgens het oude regime hebben opgebouwd kan de verhoging van het opbouwpercentage gevolgen hebben. Een werknemer met bijvoorbeeld 25 dienstjaren (nu 50 jaar) beschikt inmiddels over een opgebouwd pensioenrecht van 43,75% (25 x 1,75%). Indien deze werknemer vanaf 1995 2% per jaar gaat opbouwen haalt hij 2 jaar eerder (63e jaar in 2008) een 70% eindloon pensioen.

Overigens is per 4 september 1995 een backservice over alle reeds opbouwde dienstjaren volgens de 2%-norm toegestaan. De pensioenpremie vormt loonkosten en is voor de onderneming volledig fiscaal aftrekbaar. Dit kan al in 1995 tot een aanzienlijke aftrekpost leiden. Naar verwachting zullen de meeste VUT-regelingen worden omgezet in pre-pensioenregelingen.

Onderhandelingen

De pensioenrichtleeftijd zal in CAO-onderhandelingen tussen sociale partners in de bedrijfstak worden vastgesteld, maar kan ook in individuele onderhandelingen als secundaire arbeidsvoorwaarde in een arbeidsovereenkomst worden afgesproken. Die richtleeftijd (eindstreep 70% eindloon) legt de financiele verplichting voor de werkgever vast. Verdere vervroeging of verlating is voor rekening van de werknemer. Vervroeging of verlating levert respectievelijk een lager of hoger ouderdomspensioen op. Voor de verrekening van pensioenpremies worden twee regelingen gehanteerd: premievrije regelingen (kosten zijn volledig voor rekening van werkgever) en gezamenlijke regelingen (werkgever en werknemer betalen ieder een deel). Het werknemersdeel pensioenpremie is fiscaal aftrekbaar. De eigen bijdrage pensioenpremie voor de werknemer mag volgens de Pensioen en Spaarfondsen Wet maximaal 100% bedragen.

Vervroeging is duur

Vervroeging van de pensioendatum heeft grote gevolgen voor de totale premiedruk en voor de premiebetalingen in de overbruggingsperiode. De AOW-uitkering ( f. 17.500 alleenstaanden) gaat immers pas in op 65 jaar en is een onderdeel van het 70% eindloon. Bij een pensioenvervroeging van een werknemer met een modaal jaarinkomen van f. 50.000 van 65 naar 60 jaar moet uit de overbruggingspensioenpot per jaar een bedrag komen van: ù f. 7000 aan premiecompensatie;

ù een pseudo AOW van f. 17.500 (tussen 60 en 65 jaar);

ù een levenslang ouderdomspensioen van f. 17.500.

In totaal moet de werknemer in de overbruggingsperiode (60-65 jaar) 84% van zijn eindloon ontvangen om zijn premieplicht te ke betalen.

Als de pensioenrichtleeftijd is vastgesteld door de werkgever op bijvoorbeeld 60 jaar, kan de werknemer – in overleg met de werkgever – besluiten eerder of later met pensioen te gaan. De werknemer met een 70% ouderdomspensioen op 60 jaar die wil vervroegen naar 55 jaar, ontdekt echter dat hij zakt naar een levenslang ouderdomspensioen van circa 45%. Dat is vaak onvoldoende.

Besluit de werknemer in dit voorbeeld op zijn 60e jaar nog enkele jaren door te werken, dan mag hij nog 3 jaar verder opbouwen en bereikt op zijn 63e jaar een 100% pensioen. Wettelijk is 100% pensioen het absolute maximum. Fiscaal mag de werknemer in die situatie geen verder pensioen meer opbouwen, ofschoon hij nog wel kan blijven doorwerken.

Verdere flexibilisering

De aanbevelingen van de commissie Witteveen bieden een heel pakket aan verdere flexibiliseringsopties.

ù Spaarloon in een bedrijfsspaarregeling mag worden aangewend voor betaling van pensioenpremie.

ù Loon in natura en andere variabele looncomponenten mogen tot de pensioengrondslag worden gerekend (auto van de zaak, winstuitkering, gratificatie, tantieme, ploegen- en onregelmatigheidstoeslag, etc.). Voor deze componenten geldt bij de bepaling van de pensioengrondslag het middelloonsysteem.

ù De werknemer kan vanaf 55 jaar kiezen voor deeltijd pensioen. Over zijn arbeidstijd tot aan zijn pensioendatum kan hij blijven opbouwen.

ù Een oudere werknemer die demoveert en een stapje terug doet in zijn salaris, mag toch jaarlijks 2% (max. 10 jaar) van zijn hoge salaris blijven opbouwen.

ù Een werknemer die niet aan 35 dienstjaren komt om een maximum pensioen van 70% eindloon te behalen, mag extra dienstjaren inkopen.

ù De pensioenuitkering mag binnen een bepaalde bandbreedte in hoogte varieren. De werknemer kan op zijn pensioendatum bijvoorbeeld kiezen voor een hogere pensioenuitkering in de eerste vijf tot tien jaar om leuke dingen te gaan doen nu hij (en zijn levenspartner) nog gezond zijn. In die periode is overschrijding van het 100% maximum toegestaan. Daarna nemen zij genoegen met een lagere pensioenuitkering. De laagste uitkering mag niet minder bedragen dan 75% van de hoogste uitkering. Die keuze is volledig vrij voor de werknemer.

ùEen nabestaandenpensioen maakt deel uit van de pensioenrechten en is volgens het oude regime maximaal 70% van 70% eindloon.

– De koppeling tussen ouderdoms- en nabestaandenpensioen is losgelaten. Werknemers mogen een nabestaandenpensioen opbouwen van 50% eindloon.

– Gehuwde werknemers ke op de pensioendatum beslissen – zolang ze nog samen zijn – een deel van het weduwenpensioen toe te voegen aan het ouderdomspensioen. Zij kiezen dan voor een verlaging van het weduwenpensioen.

– Ook het omgekeerde is toegestaan, een deel van het ouderdomspensioen kan bij het weduwenpensioen worden geplust.

– Samenwonenden met een partnerpensioen ke volgens hetzelfde patroon op de pensioendatum een deel van het nabestaanden- of ouderdomspensioen inruilen.

– Alleenstaande werknemers (zonder nabestaanden) mogen op de pensioendatum een opgebouwd nabestaandenpensioen toevoegen aan hun ouderdomspensioen. In die situatie mag bij uitzondering het 100% pensioenmaximum worden overschreden.

– Werknemers ke op de pensioendatum ook geheel afzien van een nabestaandenpensioen. Ook dan is overschrijding van het 100% pensioenmaximum toegestaan.

Directeur grootaandeelhouder (DGA)

De directeur van een BV had onder het oude regime een bijzondere positie en mocht per jaar 2,33% pensioen opbouwen (30 dienstjaren – 70% eindloon). Zijn positie is in het nieuwe regime gelijkgeschakeld met andere werknemers.

Ook voor de DGA gaat waarschijnlijk een maximum opbouw van 2% per jaar gelden. De terugstelling in opbouw kan echter praktisch volledig worden gecompenseerd door verhoging van zijn pensioengrondslag plus de opbouw van een 50% eindloon nabestaandenpensioen. Ook over loon in natura en variabele looncomponenten mag voortaan pensioen-opbouw plaats vinden. Zoals dit overigens voor de hele regeling geldt, is ook hier het laatste woord nog niet gesproken. Uiteindelijk hebben de wetgever en de belastingrechter het laatste woord.

*)Voor vragen over accountancy en belastingzaken kunt u bellen met Paul Schol, Moret Ernst en Young Accountants, Arnhem. Tel. 026 – 32 09 500.

Reageer op dit artikel