nieuws

Fervente verzamelaars van dat wat voorbij gaat

bouwbreed

De verzamelingen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (KOG) bevatten een bron van informatie op velerlei gebied. De vereniging bezit niet alleen de grootste collectie 18e eeuwse ontwerptekeningen, maar vergaarde daarnaast een omvangrijke hoeveelheid bouwfragmenten. In de strijd tegen de afbraak van ons culturele erfgoed wist ze in het verleden menig sloopplan te verhinderen. Waartoe verzamelwoede kan leiden is te zien in – Voor Nederland bewaard – in het Rijksmuseum Amsterdam.

Het KOG en het Rijks worden vaak in n adem genoemd. Rijksmuseum-conservator J.F. Heij-broek omschrijft de relatie als – een gentlemen – s agreement. Het KOG woont bij ons in. – Het genootschap werd in 1858 opgericht en telt momenteel 480 leden. Destijds waren het veelal vermogende Amsterdammers, die de Nederlandse cultuurhistorie niet verloren wilden zien gaan. In de loop der jaren verzamelde het genootschap allerhande (kunst)voorwerpen, organiseerde tentoonstellingen en bijeenkomsten om de belangstelling voor het verleden levend te houden.

Na eerst op verschillende locaties in Amsterdam te zijn gevestigd, kreeg het in 1885 een museaal onderkomen; enkele zalen van het in dat jaar voltooide Rijksmuseum. Het KOG liet zich bij een aankoop niet zozeer leiden door de artistieke waarde; het cultuurhistorische aspect was van doorslaggevende betekenis. Het resultaat is omvangrijk en divers: van sleutels, lakzegels, meubels, oorkondes, textiel om maar eens wat te noemen tot attributen gebruikt bij gedenkwaardige gebeurtenissen. Zoals de zilveren troffel waarmee de eerste steen van het Amsterdamse stadhuis werd gemetseld. De objecten werden naast koop (op veilingen) verkregen door schenkingen of bij legaat. Onder de zeven documentaire collecties die het KOG aanlegde de Atlas Zeden en Gewoonten; prenten, tekeningen en foto’s over allerlei facetten van het dagelijkse leven in vroegere tijden.

– Het museum moet de bron worden voor ieder die iets zoekt in gebouwen, meubelen, zeden enz. – aldus de notulen van 1876. De Atlas Amsterdam bevat een bron aan (bouw)informatie over het Amsterdam van gis-teren. Om de veranderingen in en om de stad rond 1900 vast te leggen deed het KOG veelvuldig een beroep op tekenaars die de details van gevelstenen, opschriften of interieur vastlegden. Een van die – registreerders – was Herman Misset. De tekenaar toog onder andere in opdracht van het Gemeentearchief langs de complexen die op de nominatie stonden om te worden gesloopt of verbouwd. Het KOG beschikt over honderden van zijn tekeningen. Een andere schetsende reporter door het Amsterdamse was Gerrit Lamberts. Op – Voor Nederland bewaard – hangt van zijn hand een tekening van een behoorlijk verzakt huizenblok op de hoek Leidseplein/Leidsestraat dat uiteindelijk onder de slopershamer belandde. Ander beelmateriaal verwijst naar de grote uitbreiding van de metropool in de 17e eeuw.

Heijkoop: – Veel van het hier tentoongestelde is nooit aan de buitenwereld getoond. – Hij blijft stilstaan bij het werk van de 17e eeuwse topograaf Jan van Call en wijst naar een van de vier stadsbaggermolens die de stad rijk was. – Zo’n moddermolen is zelden afgebeeld. Daarnaast is hier – wijzend op een platbodem – ook het kalefateren in beeld gebracht. – Een ontwerp van de Oranjekazerne is een van de vele architectuurtekeningen, die samen met de collectie stucwerk-ontwerpen verhalen over de geschiedenis van het Amsterdamse woonhuis. In de vorige eeuw werden naast tekeningen ook – photographien – als documentatiemateriaal gebruikt. Onder de zwartwitfoto’s een gezicht op de Amsteljachthaven (1868) waarop het uit 1864 daterende en door brand verloren gegane Paleis voor Volksvlijt. Dat men in die begintijd toch tekeningen boven foto’s prevaleerde is niet verwonderlijk. De pentekeningen van Willem Hekking jr. bewijzen dat tekenaars veel beter in staat waren de details van de gebouwen te kopiren.

Heijbroek: – Het KOG kan gezien worden als de voorloper van de oudheidkundige bond. De leden maakten gebruik van hun invloed en wisten menig pand voor sloop te behoeden. Hun werkterrein reikte tot ver buiten Amsterdam. – Met succes werd in de vorige eeuw geageerd tegen de sloop van onder andere de Grote Kerk in Veere, het huis Maarten van Rossum in Zaltbommel, de toren van het kasteel in Wijk bij Duurstede en die van Oostenrijk in Leiden, lees ik in het bij de tentoonstelling verschenen lijvige boekwerk. In gevallen dat sloop niet mogelijk bleek, werd getracht om monumentale bouwfragmenten te behouden en te hergebruiken. Zo werden in de buitenmuur van het Amsterdams Historisch Museum een twintigtal door het KOG verzamelde gevelstenen herplaatst. In enkele gevallen gingen de objecten uiteindelijk weer terug naar plaats van herkomst.

Zoals het rectorspoortje dat eerst in de zuidvleugel van het Rijksmuseum – waar het KOG sinds 1917 is gehuisvest – was ingemetseld maar uiteindelijk weer in Leiden belandde.

Voor Nederland Bewaard is nog t/ 4 februari te zien in het prentenkabinet van het Rijksmuseum Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels