nieuws

Corporaties brengen prestaties in kaart

bouwbreed Premium

De prestaties van woningcorporaties moeten beter in kaart worden gebracht. Om dit doel te bereiken heeft Onderzoeksinstituut OTB in opdracht van twaalf corporaties het rapport ‘Kengetallen en succescriteria voor woningcorporaties’ opgesteld. Deze rapportage gaat uit van een methode om de eigen prestaties te meten en te beoordelen. Noodzakelijk omdat anders overheidsingrijpen weer dreigt.

Professor dr.ir. H. Priemus, directeur Onderzoeksinstituut OTB van de Technische Universiteit Delft heeft gisteren in de Amsterdamse Rai, de resultaten van de studie gepresenteerd. Hij dit op het congres ‘Kengetallen en succescriteria’ dat door de Stichting Woningbedrijf Den Haag was georganiseerd.

Het is ook de Stichting Woningbedrijf Den Haag geweest die het initiatief voor een methode om prestatie te meten en te verantwoorden heeft genomen. “Het stellen van de hamvraag binnen het bedrijf ‘hoe weten wij nu wanneer het bedrijf goed presteert? Hoe stellen wij dat vast? En als wij iets vaststellen hoe denkt de omgeving er over bleek niet alleen bij ons aan de orde te komen”, zo lichtte mr. E.Th.P. Staal directeur van de Haagse woningcorporatie toe.

Met twaalf andere corporaties werd vervolgens de stap naar het Onderzoeksinstituut OTB genomen.

De meet- en verantwoordingsmethode die OTB nu heeft ontworpen voorziet in de beoordeling van de corporatie op een drietal gebieden. Hierbij gaat het om bedrijfseconomische prestaties, de sociale volkshuisvestingsprestaties en het leveren van een goed produkt aan de consument. Vervolgens krijgen deze prestaties cijfers toegekend. “De prestatie-afspraken met de gemeente en regio of bewonersorganisatie vormen de ijkpunten voor de prestaties”, aldus de opstellers van de methodiek.”

Volgens Staal is het in kaart brengen van de prestaties en tevens de beoordeling van de corporatie in het belang van de sociale volkshuisvesting. “Bij de overheid zijn de rookwolken na de invoering van het BBSH en de brutering ook enigszins opgetrokken. Het beeld wat daarachter blijft wordt gekenmerkt door enige verwarring. De ingesnoerde corporatie is weg. Met het BBSH is weliswaar een structuur met verantwoordingsvelden voor corporaties geintroduceerd, maar wat nu de concrete invulling daarvan moet zijn, is in de praktijk nog onderwerp van gesprek. Wij moeten ervoor zorgen dat wij tijdig aan de overheid laten zien dat wij ons goede figuur hebben behouden en volkshuisvestelijk hebben verstevigd. Doen wij dat niet dan is de herinvoering van het corset ons deel.”

Enthousiast

J.C. van Scherpenzeel, inspecteur Volkshuisvesting in de provincie Utrecht, zei enthousiast te zijn over het rapport. “Een prima initiatief uit de sector zonder voorschriften van het rijk. Het getuigt van aandacht niet alleen voor financiele maar ook volkshuisvestelijke prestatiemeting door corporaties.” In de visie van Scherpenzeel nodig ook. Want, zo hield hij zijn gehoor voor, hoewel de taak van de gemeente als toezichthouder wettelijk is verankerd komt daar in de praktijk vooralsnog weinig van terecht. “Uit onderzoek van de Inspectie blijkt dat slechts twintig procent van de gemeenten in 1994 afspraken heeft gemaakt over de te leveren prestaties. Vaak worden dergelijke afspraken nog op ad hoc basis gemaakt, waarbij een integrale beleidsafweging ontbreekt. In de dagelijkse praktijk zijn er nog maar weinig corporaties die bij gemeenten aandringen op het vooraf maken van prestatie-afspraken. Men wacht af tot de gemeente het initiatief neemt.”

Schrijnend

Als “een schrijnende illustratie” noemde Scherpenzeel de gang van zaken rond de regionale toelating van corporaties. “Het aantal corporaties dat, voordat een verzoek tot regionale toelating werd gedaan, contact zocht met de betrokken gemeente is op de vinger van een hand te tellen.”

Reageer op dit artikel