nieuws

Verwijderen van afval vergt landelijke aanpak

bouwbreed Premium

Afval is in sommige situaties een economisch goed geworden waarbij de verwerkers met elkaar concurreren om voldoende aanbod te krijgen. Deze gang van zaken maakt aanpassingen in het beleid noodzakelijk. Maatregelen als het Meerjarenplan verwijdering gevaarlijke afvalstoffen en het Tienjarenprogramma afval veroorzaken een toenemende behoefte aan landelijke sturing. Het eerder ingenomen standpunt dat elke regio zelf zorg draagt voor de afvalverwijdering levert volgens het huidige inzicht geen bijdrage aan een optimale structuur.

Minister De Boer liet bij monde van een vertegenwoordiger op een bijeenkomst in Den Haag ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Vereniging van Afvalverwerkers (VVAV) weten dat het op de weg van de VVAV ligt initiatieven te nemen voor harmonisatie inzake tarieven en acceptatiebeleid en ervoor te zorgen dat plannen daadwerkelijk deel uitmaken van de dagelijkse praktijk.

Bouw- en sloopafval

Bij het opstellen van het tweede Tienjarenprogramma besloten de partijen in het Afval Overleg Orgaan (AOO) geen extra verbrandingsovens te bouwen. Landelijke sturing moet ervoor zorgen dat de Afval Verbrandings Installaties (AVI’s) voldoende aanbod krijgen om de capaciteit volledig te ke benutten. Deze sturing gaat op 1 januari 1996 in en geldt onder meer voor de brandbare fractie uit bouw- en sloopafval. De stort ervan mag alleen dan wanneer de provincie daar toestemming voor geeft. VROM dient daarbij te verklaren dat er geen andere verwijderingsmogelijkheden zijn dan storten. De provincies moeten door middel van een verdeelplan met elkaar afspreken hoeveel afval er van wie naar wie zal gaan. Een dergelijk plan is een voorwaarde voor het afgeven van een verklaring. Het AOO moet het eerder gepresenteerde voorstel in deze voor 1 januari volgend jaar uitwerken.

Deze ontwikkeling vormt een eerste stap in de landelijke verwijdering van afvalstoffen. Ook de nationale afspraken met bijvoorbeeld afvalaanbieders en fabrikanten beinvloeden de aard, samenstelling en hoeveelheid afval. Dat oefent weer een direct effect uit op de planning voor de verwijdering. De marktgerichte werkwijze van de bedrijfstak verwijderen pleit eveneens voor een landelijke aanpak. Daar komt bij dat in het buitenland de nadruk ook op een nationale verwijdering komt te liggen. Internationale organisaties als de EU en de OESO krijgen meer zeggenschap over het afvalstoffenbeleid. Zo kent de EU een steeds verdergaande harmonisatie van regels voor de in- en uitvoer van afval. Nederland moet voorlopig echter vasthouden aan nationale zelfvoorziening.

Preventie

Het voeren van een afvalstoffenbeleid begint volgens hoofddirecteur mr. K. de Vries van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) met afvalpreventie. Over dat onderwerp vinden ook in het AOO doorgaans weinig discussies plaats. Resultaten ontstaan in deze vooral door het doelgroepenbeleid. Het succes van preventie en hergebruik leidde inmiddels tot het besluit geen nieuwe verbrandingsovens meer te bouwen als gevolg van een kleiner aanbod. Dat besluit stelde de gemeenten voor een zeer aanzienlijke financiele schade die door middel van hoge reinigingsheffingen moet worden weggewerkt. Het tweede Tienjarenprogramma voorziet een verdere afname van de hoeveelheid brandbaar afval. Alleen een landelijke coordinatie kan de ovens van voldoende aanvoer verzekeren.

Overslaglocaties

De vervroegde inwerkingtreding van het landelijke stortverbod op 1 januari 1996 levert gebieden waar afval nog grotendeels wordt gestort volgens De Vries forse problemen. De maatregel brengt hogere verwijderingskosten teweeg en vergt de versnelde aanleg van overslaglocaties als gevolg van de grotere afstand tussen de plaatsen van inzameling en verwerking. Stortplaatsen ontvangen minder afval en zien daardoor de huidige financiele problemen vanwege milieuhygienische maatregelen nog verder toenemen. De VNG noemt zich voorstander van een beperkte landelijke sturing en een zo groot mogelijke marktwerking.

Reageer op dit artikel