nieuws

Veroorzaker is aansprakelijk voor verontreiniging grond

bouwbreed

Veel bodemverontreiniging in ons land is mobiel. Verontreiniging die in het grondwater terecht is gekomen kan zich overal naar toe verspreiden. Verontreiniging van de bodem is een ‘onrechtmatige daad’. De veroorzaker is in principe aansprakelijk voor verontreiniging van eigen grond en buurmans grond.

De vraag: “Wie is aansprakelijk voor saneringskosten?” is niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Voor de nieuwe Wet bodembescherming (eerste fase 15 mei 1994 en tweede fase 1 jan. 1995) in werking trad, bestond reeds een bodemwet. Toen het milieu-incident van Lekkerkerk (1980) bekend werd heeft de overheid de Interimwet Bodemsanering gemaakt. Oorspronkelijk bedoeld voor vijf jaar met het doel ‘oude’ verontreinigingen aan te ke pakken. De Wet Bodembescherming uit 1987 omvat preventieve maatregelen om toekomstige verontreiniging te voorkomen of direct aan te pakken. Aanvankelijk was de gedachte dat de overheid voor de saneringskosten zou opdraaien, tenzij een hele duidelijke veroorzaker zou zijn aan te wijzen. Verhaal van kosten is in die situatie ook gebaseerd op de ‘onrechtmatige daad’.

Toen bleek dat Lekkerkerk maar het topje van de ijsberg was, werden steeds meer rechtelijke procedures aangespannen tegen ‘veroorzakers’. De lagere rechtspraak was de overheid aanvankelijk ter wille. Maar in 1992 sprak de Hoge Raad zich over de verhaalskwestie uit en ging het mis. De opperste rechter constateerde dat veel verontreinigingen dateerden uit de ’50 en ’60er jaren. Men dacht toen nog dat de bodem een ongekende capaciteit had om verontreinigde stoffen op te nemen. Dat bleek achteraf een duidelijke misrekening te zijn. De Hoge Raad redeneerde dat bij een ‘onrechtmatige daad’ de maatschappelijke zorgvuldigheid in acht moet worden genomen, geplaatst in de tijd dat de handelingen werden verricht. Storten van afval werd in de jaren ’50- ’60 maatschappelijk niet als onzorgvuldig gezien. De overheid zelf stond dat ook toe. De Hoge Raad bepaalde dat bedrijven die voor 1 januari 1975 afvalstoffen hebben gestort geen onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens de overheid en dus niet voor de saneringskosten behoefden op te draaien. De overheid kan bedrijven alleen aanpakken als zij aantoont dat de veroorzakers voor deze datum ‘willens en wetens’ wisten wat ze deden. Zo’n zware bewijslast is in de praktijk erg moeilijk. Het bedrijfsleven haalde aanvankelijk opgelucht adem.

Inmiddels liep het wetsvoorstel van de nieuwe Wet Bodembescherming met daarin een saneringsparagraaf. De Staat had op basis van het arrest van de Hoge Raad niet zoveel zin op te draaien voor saneringskosten met betrekking tot verontreinigingen, veroorzaakt voor 1-1-’75. Lopende de parlementaire behandeling werden de spelregels aangepast. Daar stak de Eerste Kamer een stokje voor, wat uiteindelijk resulteerde in een compromis in de nieuwe Wet Bodembescherming (art. 75 lid 1 en 5). Dit wetsartikel werd op 15 mei 1994 direct van toepassing ook op de lopende procedures bij de rechtbank en het Gerechtshof.

Lid 1 heeft betrekking op verontreinigingen veroorzaakt na 1 januari ’75 en bepaalt dat de Staat de kosten van onderzoek en sanering van de bodem verhaalt op de veroorzaker.

Lid 5 gaat in op oudere verontreinigingen en bevat o.a. twee beoordelingscriteria. Bij de beoordeling of de veroorzaker ‘ernstige verwijtbaarheid’ kan worden aangerekend moet de rechter in aanmerking nemen of:

1. destijds in vergelijkbare bedrijven dat een gebruikelijke bedrijfsvoering was, en

2. de destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepasbare alternatieven in aanmerking zijn genomen. Met andere woorden: ‘Was het destijds in de branche gebruikelijk om afgewerkte olie in de grond te laten lopen of te morsen met brandstof, of kon dat op een andere manier worden opgelost?

Naar de mening van vele juristen verandert artikel 75 lid 5 van de Wet bodembescherming (’94) niet zoveel aan het arrest van de Hoge Raad. Verhaal van saneringskosten door de overheid op de veroorzaker van voor 1-1-’75 blijft gebonden aan een zeer zware bewijslast te leveren door de overheid.

Verhaal

De overheid heeft ontdekt dat bodemsanering veel meer geld gaat kosten dan ooit kon worden voorzien. Dat kan de overheid zelf niet betalen. Daarom is in de nieuwe Wet Bodembescherming het initiatief om te saneren en de saneringskosten te betalen bij het bedrijfsleven zelf gelegd. Nog steeds wordt in eerste instantie gekeken naar de veroorzaker. In de parlementaire behandeling is dat expliciet vastgelegd. De gemeente of provincie kan niet zondermeer de huidige eigenaar aanspreken. In het verleden ke er zelfs meerdere veroorzakers zijn geweest.

Maar is de veroorzaker niet te vinden of is bij de veroorzaker geen verhaal mogelijk, dan klopt de overheid aan bij de huidige eigenaar.

Die opstelling staat diametraal op de Interimwet Bodemsanering. Verhaal door de overheid van bodemsaneringskosten zal in de toekomst steeds meer plaats maken voor een ‘bevel’ tot sanering. De veroorzaker of de eigenaar draaien zelf op voor de schoonmaakkosten van vervuilde grond.

*)Paul Schol heeft in samenwerking met mr. A.M.C.C. Tubbing van Moret Ernst en Young Milieu BV (Bodemsaneringsdesk) een serie artikelen geschreven over bodemsanering en het verhalen van kosten. Vandaag het tweede artikel. Het telefoonnummer van Moret Ernst en Young Milieu BV in Utrecht is 030 – 25 88 151.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels