nieuws

Plannen voor Limburgs Museum: Zonder visie geen architectuur

bouwbreed Premium

In 1999 gaat in Venlo het nieuwe Limburgs Museum open. De ontwerpwedstrijd voor dat gebouw heeft behalve vijf plannen ook heel wat ruzie opgeleverd. Want de opdrachtgever koos niet het voor de adviescommissie favoriete plan van architect Van Dongen, maar dat van Jeanne Dekkers. Tot 5 november is de steen des aanstoots samen met de andere plannen te zien in het huidige onderkomen van het museum in Venlo.

Een maand geleden woedde een stormpje van publiciteit rond Nijmegen. Uit de vijf bijzondere plannen voor een nieuw museum koos de opdrachtgever niet het winnend ontwerp om te bouwen maar dat van de tweede prijswinnaar Van Berkel. Nu, een maand later, wordt 65 kilometer zuidelijker, in Venlo, een reprise van dat pandemonium opgevoerd. Vijf plannen, een gepasseerde eerste prijswinnaar en ruzies. Maar er zijn twee belangrijke verschillen: in Nijmegen was de kwaliteit van de plannen hoger en stonden de meningsverschillen duidelijk op papier. In Venlo wordt angstvallig het debat gemeden.

De tentoonstelling in Venlo is nogal wezenloos. De bezoeker wordt geconfronteerd met vijf sterk verschillende plannen, maar elke achtergrondinformatie die iets zou ke verklaren van de verschillen ontbreekt. Wat is de visie van de opdrachtgever op de museale aspecten? Wat zijn de stedebouwkundige haken en ogen? Welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij jurering? En welke redenen had de opdrachtgever om tot een andere keus te komen? Verder dan algemeenheden komt het niet. Het winnende plan voldoet objectief het best aan de gestelde gunningscriteria, past qua uitstraling goed bij Venlo en kan rekenen op een breed draagvlak, zo wordt flauwtjes verklaard.

De vijf plannen

Twee van de vijf plannen zijn gebaseerd op een spel van cirkels en rechthoeken die in elkaar grijpen: dat van Marc a Campo van het Amsterdamse bureau A+D+P en dat van Jan van Beek van het Venlose bureau Timmermans. Het zijn allebei vrij gevormde paviljoens. Vooral dat van A+D+P staat teruggetrokken tussen de bomen van het Julianapark. Het is helder in zijn mathematische opzet en scheiding van functies en heeft de allure van een (groot uitgevallen) aristocratische villa. Het ontwerp van Timmermans doet met zijn hoog optorenende depotruimtes meer een beroep op de sensatiezucht. Dit ontwerp is van de twee nog het willekeurigst in vormgeving, maar voor beide ontwerpen geldt dat in wezen onduidelijk blijft waarom deze vormen op deze plek voor deze functie noodzakelijk zijn. Te gemakkelijk laten ze zich verplaatsen of in vorm amenderen.

Ook het ontwerp van Jeanne Dekkers van het Rotterdamse bureau EGM is een losjes in het groen gesitueerd paviljoen. Het onderscheidt zich door een nog grotere hoeveelheid vormen en richtingen en door het sterke onderscheid tussen de hoge bouwstrook met de museumzalen en de overige functies. Een beetje voor de vuist weg wordt gezinspeeld op historische relaties met bijvoorbeeld de vroegere stadsmuur ergens in die buurt en het trace van een verdwenen spoorlijn, zonder dat duidelijk wordt waarom nu net die referenties van belang zijn.

Frits van Dongen van de Architecten Cie. uit Amsterdam heeft een radicaal andere keuze gemaakt. Zijn gebouw vormt een aaneengesloten wand die het Koninginneplein (een druk verkeersplein) afscheidt van het park, waar het gebouw trapsgewijs naar afloopt. Het is een sterke vorm, met een grote mate van vanzelfsprekenheid. De vorm van de trap verbindt park en gebouw onlosmakelijk met elkaar, net zo als het gebouw gegoten zit in zijn stedebouwkundige context.

Een beetje is dat ook het geval met het ontwerp van het Amsterdamse bureau Alberts en Van Huut. Het volgt min of meer de randen van het park, omarmt het in zekere zin met twee vleugels. Maar het plan is verder een volstrekt buitenbeentje, zowel in de menging van functies, vormentaal als bijna onthutsend schetsmatige presentatie compleet met alleen maar handgeschreven toelichting.

Staalkaart van vormen

In vergelijking met de vijf ontwerpen voor het Museum Nijmegen zijn de verschillen tussen de inzendingen voor Venlo veel groter. Hoe verschillend de architecten in Nijmegen ook waren, hun ontwerpen reageerden allemaal nauwkeurig op de situatie en het programma. Ze waren elk op zich consistent, ‘verklaarden’ zichzelf en hadden geen spectaculaire of ‘verzonnen’ vormen nodig om op te vallen of zichzelf overeind te houden. Daardoor vertoonden ze onderling ook duidelijke verwantschap.

In Venlo komen alleen de ontwerpen van Marc a Campo en Frits van Dongen in de buurt van die vanzelfsprekendheid. Maar hoe helder intern het ontwerp van a Campo ook is, het kan niet verhullen dat het een plan is dat op zoek is naar een locatie en een programma. Die onzekerheid speelt de andere plannen nog meer parten. Het resultaat is een wildgroei aan vormen.

Door dat gebrek aan discipline zijn de Venlose plannen kwalitatief de mindere van die in Nijmegen. Dat wil niet zeggen dat de ontwerpers kwalitatief per se de mindere zijn. De volstrekte willekeur waarmee blijkbaar programma en situatie geinterpreteerd konden worden, kan ook duiden op een gebrek aan visie en sturing aan de kant van de opdrachtgever en binnen de Venlose stedebouw.

Wat wil opdrachtgever?

Of er inderdaad een gebrek aan visie aan de kant van de opdrachtgever is, valt moeilijk te controleren. Er is geen rapport voorhanden van de architectonische adviescommissie (de jury in deze wedstrijd). En ook geen verantwoording van de keuze door de opdrachtgever. In Nijmegen werd wat dat betreft open kaart gespeeld. Daar maakte de opdrachtgever duidelijk dat zij niet de keus van de jury wilde volgen omdat de financiele risico’s die aan dat (meer dan 60 procent te dure) plan kleefden te groot werden geacht. Er waren nog wel een paar andere argumenten met de haren bijgesleept, maar in hoofdzaak was de keuze helder en werd die ook door de jury gerespecteerd.

In Venlo is er geen juryrapport. Bouwadviesbureau BABB voerde het secretariaat van de jury; het door hen gemaakte verslag is geamendeerd door de juryleden, maar dat heeft heeft niet geresulteerd in een definitief rapport. Vandaar dat jurylid Riek Bakker in de Volkskrant woedend reageerde en klaagde over het verdraaien van de mening van de jury. Voorzitter Lentz van het Museumbestuur is op zijn beurt verontwaardigd over dat optreden. “De adviescommissie heeft de opdrachtgever niet serieus genomen. Zij beoordeelden slechts drie aspecten: architectuur, stedebouw en functionaliteit. Wij als opdrachtgever beoordeelden in totaal elf aspecten. De adviescommissie moet niet doen alsof zij alles voor het zeggen heeft”, aldus Lentz, die eraan toevoegt: “Die hele rimram heeft ons – 25.000 gekost en alleen maar ellende gegeven.”

Een uittreksel uit het bestuursbesluit dat Lentz desgevraagd opstuurt leert dat de bouwcommissie, de colleges van B en W en Gedeputeerde Staten en de medewerkers een voorkeur hebben voor de ontwerpen van Dekkers en Alberts en Van Huut. Enige argumentatie is daar echter niet bij. Voor het plan van Van Dongen, favoriet van de adviescommissie, is “nauwelijks draagvlak”. Gesignaleerd wordt dat het trapsgewijs oplopende dak van dat plan (dat tegelijk als tribune dienst zou moeten doen) “aanpassing behoeft”. Dat zou niet ke binnen de procedure van de Europese aanbesteding. Voorts overschrijdt het plan de grenzen van het bestemmingsplan en van de beschikbare locatie; aanpassing daarvan zou grote vertraging ke opleveren.

Dat zijn geen sterke argumenten. Dat de Europese aanbesteding geen ruimte zou laten voor aanpassingen aan het plan is onzin. Tussen een dergelijk schetsplan dat niet in overleg met de opdrachtgever als prijsvraagontwerp is ingediend en het definitieve ontwerp zit altijd nog veel overleg en aanpassing. De noodzaak van de aanpassing is her en der in citaten in kranten te vinden: het tribunedak zou te grote kans op lekkages geven, zou gevaarlijk glad ke worden en junks aantrekken. Maar het moet toch niet moeilijk zijn om een dergelijk dak te maken zonder lekken en met de nodige stroefheid. En junks, ja die ke overal rondhangen, daar verhelpt geen enkel plan iets aan.

Gebrek aan visie

De hele presentatie bevestigt het vermoeden dat de opdrachtgever eigenlijk niet wist wat die wilde en dat zijn adviseur van BABB Bouwadviezen het er alleen maar erger op heeft gemaakt. Daarmee is deze ontwerpwedstrijd een instructief voorbeeld dat zonder duidelijke visie van de opdrachtgever een ontwerper gedoemd is te mislukken. De ontwerpen voor het Limburgs Museum steken niet uit boven de middelmaat. En dat is de ontwerpers niet aan te rekenen, wel de opdrachtgever en zijn adviseur.

Het ontwerp van Jeanne Dekkers dat gebouwd zal worden. In de hoge bouwstrook bevinden zich de museumzalen.

Notermans/Zebra fotostudio’s

Situatieschets van het ontwerp van Van Dongen. Het dak dient als tribune voor het achterliggende Julianapark en scheidt dat af van het drukke Koninginneplein.

Op deze maquettefoto van het ontwerp van het bureau Timmermans is links het tankstation zichtbaar dat bij voorkeur als monument in het museum geintegreerd moet worden.

Notermans/Zebra fotostudio’s

In de ronde trommel van het ontwerp van A+D+P bevinden zich de museumzalen.

Aanzicht van het ontwerp van Alberts en Van Huut.

Reageer op dit artikel