nieuws

Monumenten hydrofoberen kan ook zonder schade

bouwbreed

Ten onrechte wordt vaak de suggestie gewekt alsof het hydrofoberen van gevels bijna per definitie zou leiden tot onherstelbare schade aan monumenten. Het is echter een techniek die soms gewoon nodig is en – mits goed toegepast – helemaal geen schade hoeft te veroorzaken.

Ir. L.G.W. Verhoef, universitair hoofddocent aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit in Delft, ziet steeds meer negatieve berichten over hydrofoberen die maar gedeeltelijk op waarheid berusten. Daardoor is in Nederland een cultuur ontstaan van ‘hydrofoberen mag niet’, terwijl in bijvoorbeeld Belgie en Duitsland het hydrofoberen van monumenten de gewoonste zaak van de wereld is.

Verhoef: “Ook de Rijksdienst voor de Monumentenzorg propageert het hydrofoberen van monumenten niet bepaald. En dat is wel te begrijpen.

Want er zijn de laatste tijd nogal wat onderzoeken gedaan naar schade aan monumenten die een hydrofobeerbehandeling hebben ondergaan. De suggestie wordt echter gewekt dat die schade en het hydrofoberen iets met elkaar te maken hebben. Dat is niet waar.

Het is inderdaad een onomkeerbare behandeling, die je zo veel mogelijk wilt voorkomen. Maar als de stukken steen naar beneden vallen, moet je iets doen. Soms heb je de techniek van hydrofoberen gewoon nodig. En die behandeling op zich veroorzaakt geen schade. Schade ontstaat door een gebrek aan deskundigheid.”

Optrekkend vocht

De schade die wordt geconstateerd aan monumenten waarvan de gevel is gehydrofobeerd, varieert van het schilferen van het metselwerk tot het loskomen van hele plakken steen. De oorzaak is in vrijwel alle gevallen optrekkend vocht in de muren, al dan niet in combinatie met de aanwezigheid van zouten. Het vocht kan door het hydrofoberen moeilijk verdampen waardoor vorstschade ontstaat.

Eenzelfde schadebeeld ontstaat volgens Verhoef als andere maatregelen ondeskundig worden genomen. “Als voegen bijvoorbeeld worden vervangen door nieuwe, keiharde cementvoegen, kan het water ook niet wegzakken en de schade die daardoor ontstaat is niet te onderscheiden van de schade na hydrofoberen.” De ondeskundigheid bij het hydrofoberen uit zich volgens Verhoef vooral in fouten bij het vooronderzoek (of het geheel ontbreken van vooronderzoek) en in de wijze van uitvoeren van de behandeling. Bij een goed vooronderzoek wordt de gehele vochtsituatie van de muur in beeld gebracht. Daardoor kan van tevoren worden geconstateerd of optrekkend vocht een probleem kan gaan vormen. Is dat het geval dan zal door middel van bouwkundige maatregelen eerst de vochtstroom in de muur moeten worden onderbroken. Bovendien moet voor het hydrofoberen de gevel worden hersteld. Het hydrofoberen zelf moet volgens Verhoef worden uitgevoerd onder deskundig toezicht waarbij vooral wordt gelet op de juiste methode van aanbrengen en de hoeveelheid hydrofobeermiddel die wordt aangebracht.

Als uit het vooronderzoek blijkt dat de muur grote concentraties zouten bevat, komt overigens het hydrofoberen helemaal niet in aanmerking als behandelingsmethode.

Verhoef pleit er echter niet voor om in alle andere situaties te gaan hydrofoberen. “Allereerst moet je altijd proberen om vochtproblemen op te lossen met bouwkundige maatregelen. Dat is echter bij monumenten niet altijd verantwoord. Pas als je hele arsenaal van bouwkundige maatregelen is uitgeput, moet je kiezen voor hydrofoberen.”

Om misverstanden over het hydrofoberen uit de weg te ruimen en om een overzicht te krijgen van de laatste stand der techniek heeft Verhoef het initiatief genomen tot het eerste internationale symposium over het hydrofoberen als waterafstotende behandeling van bouwmaterialen. Het symposium wordt op 9 en 10 november gehouden in de aula van de TU Delft.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels