nieuws

Aannemers moeten toepassen van UAV altijd schriftelijk vastleggen

bouwbreed Premium

“Aannemers moeten er altijd voor zorgen dat de Uniforme Administratieve Voorwaarden (UAV) van toepassing zijn op – ook mondeling gemaakte – overeenkomsten met opdrachtgevers. En het is aan te raden die toepasselijkheid schriftelijk vast te leggen. Dat is voor aannemers een veiliger weg dan vertrouwen op de blauwe ogen van de opdrachtgever.”

Die boodschap hielden de bouwjuristen mr. W.J. Dols en mr. R.J.M. Hermans uit Geleen zuidelijke aannemers voor in een juridische lezing over de UAV op BouwMECC 95 in Maastricht. Ze beklemtoonden dat het belang van die UAV voor de aannemerij in het algemeen en het individuele bouwbedrijf in het bijzonder moeilijk kan worden overschat. Maar het verwonderde hen niet dat de UAV zich zo’n prominente positie hebben verworven:

Verwijzen naar UAV

“De wettelijke regeling van de aannemingsovereenkomst is ronduit belabberd. Het Burgerlijk Wetboek is op dit punt onduidelijk, onvolledig, onsamenhangend en verouderd. Bovendien is de bouw een heel eigen wereld met eigen regels.”

Aannemers moeten volgens hen de UAV in een mede door de opdrachtgever ondertekende overeenkomst toepasselijk verklaren, willen ze zich er bij problemen op ke beroepen. Maar er doen zich ook wel situaties voor waarin van een schriftelijk contract geen sprake is. Vaak vormt een offerte of opdrachtbevestiging het enige schriftelijke bewijs van een mondeling gesloten overeenkomst. Dols en Hermans adviseerden de aannemers in die offerte of opdrachtbevestiging steevast te verwijzen naar de UAV. Die stukken moeten ze kort voor of vlak na het tot stand komen van de overeenkomst naar de opdrachtgever sturen.

Maar aannemers hebben de toepasselijkheid van de UAV niet zelf meer in de hand: “Protesteert een opdrachtgever binnen redelijke termijn, dan kan de aannemer het wat dit betreft wel schudden.”

Meer- en minderwerk

De twee bouwjuristen beklemtoonden verder het belang voor de aannemers om juist ook ten aanzien van meer- en minderwerk “elke afspraak schriftelijk aan de opdrachtgever te bevestigen. Ook wanneer meer- en minderwerk tegen elkaar wegvallen. Dat bevestigen kost weinig moeite, maar bespaart een hoop problemen in de procedures die veelvuldig over deze materie worden gevoerd.”

Vooral meer- en minderwerk geeft volgens hen in de bouw veelvuldig aanleiding tot geschillen, omdat het schriftelijk bewijs ontbreekt van hetgeen feitelijk is afgesproken. “Hoewel de UAV op meer- en minderwerk van toepassing zijn, ke aannemers met opdrachtgevers best andere regelingen treffen voor de financiele verrekening”, zeiden ze.

Ook mogen aannemers in de prijs voor meerwerk een winstopslag doorvoeren, net zoals ze dat deden in de aanneemsom. De UAV heeft op dat punt namelijk niets geregeld. Dat is wel het geval indien er alleen minderwerk is c.q. het minderwerk het meerwerk overtreft. In die gevallen heeft de aannemer recht op een winstvergoeding van 10% van het verschil tussen het totale minderwerk en het totale meerwerk.

Maar aannemers moeten volgens Dols en Hermans uiterst attent zijn: “Het saldo wordt soms ten onrechte verlaagd door bijbetalingen van de opdrachtgever, die feitelijk geen meerwerk zijn. In dat geval loopt de aannemer een deel van de winstvergoeding, waarop hij zonder meer recht heeft, mis.”

Dols en Hermans betoogden dat toepasselijkheid van de UAV voor de aannemer ook van groot belang is met het oog op aansprakelijkheid na oplevering (bijvoorbeeld voor verborgen gebreken). De UAV kent een termijn van 10 jaar, zonder UAV is de termijn 20 jaar.

Maar ook geven de UAV aan dat “een gebrek slechts dan als een verborgen gebrek is aan te merken indien het ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering danwel bij de opneming van het werk door de directie redelijkerwijs niet onderkend had ke worden”.

Verborgen gebrek

Dols en Hermans wezen de aannemers er op dat ze, als ze een claim op grond van een verborgen gebrek aan de broek krijgen, zich ke verweren “door te stellen dat de directie het gebrek door nauwlettend toezicht had ke onderkennen”. Het moet dan gaan om “zorgvuldig, nauwlettend toezicht, dat de aannemer van de directie als deskundige had mogen verwachten. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om het toezicht dat de directie feitelijk heeft uitgeoefend, maar om het toezicht dat ze redelijkerwijs had ke uitoefenen.”

Reageer op dit artikel