nieuws

Opschorting en terughouding

bouwbreed

Sinds de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek kan de aannemer het werk opschorten als middel om zijn opdrachtgever te dwingen zijn (betalings)verplichting na te komen. Zoals ook voor andere kwesties, waarin het oude B.W. niet voorzag, hadden de Uniforme Administratieve Voorwaarden dit recht al lang geregeld. Deze Algemene Voorwaarden hebben alleen een andere term daarvoor: de aannemer mocht in het omschreven geval het werk ‘schorsen’ totdat zijn opdrachtgever had betaald.

Deze door de bouwwereld geintroduceerde regeling is nu dus door de wetgever overgenomen, en niet alleen voor de aannemingsovereenkomst. Het opschortingsrecht geldt nu voor alle overeenkomsten, als tenminste tussen de wederzijdse verplichtingen die daaruit voortvloeien voldoende samenhang bestaat. Natuurlijk moet de vordering, waarvan de betaling met de opschorting wordt afgedwongen, opeisbaar zijn; de aannemer mag het werk dus niet schorsen als de betalingstermijn nog niet verstreken is.

Als bijzondere vorm van dit opschortings- of schorsingsrecht geldt het terughoudingsrecht. Dat is de bevoegdheid van onder andere de aannemer om zijn verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn opdrachtgever op te schorten totdat zijn vordering op hem is voldaan. De aannemer, die het werk nog onder zich heeft, kan dus de oplevering uitstellen totdat de verschenen betalingstermijnen door hem zijn ontvangen. Dat is een nog veel sterker dwangmiddel dat het algemene opschortingsrecht.

Dat terughoudingsrecht kende het oude B.W. al lang, maar dan alleen voor een paar overeenkomsten, waaronder die van aanneming. In de nieuwe regeling van de aannemingsovereenkomst zal het straks niet meer voorkomen, omdat het recht aan iedere in de wet genoemde schuldeiser is toegekend. Het is door de wetgever in goed Nederlands als algemeen ‘retentierecht’ in het wetboek opgenomen. Zonder op dat recht met zoveel woorden een beroep te doen, wordt het soms toegepast door de aannemer, die betalingsproblemen heeft met zijn opdrachtgever.

Dat was onder andere het geval in Den Haag toen de opdrachtgever van de renovatie en nieuwbouw van een groot aantal panden zijn aannemer opzegde. Die had toen al een gedeelte van het werk uitgevoerd, hoewel hij wegens te laat afkomende betalingen het werk gedurende een week opgeschort had (‘gestaakt’ zeggen de arbiters van de Raad) en drie maanden later het werk weer stillegde.

De opdrachtgever had nogal wat klachten over de kwaliteit van het werk en dat was voor hem de reden om begin 1993 de aannemingsovereenkomst te ontbinden: de aannemer werd de toegang tot het werk ontzegd. Die weigerde echter de sleutels in te leveren omdat hij eerst zekerheid wilde hebben over de achterstallige betalingen. Daarom werd hij voor de Raad van Arbitrage gedaagd tot ontruiming van de panden. Wat de aannemer, juridisch gezien deed, was het gebruik maken van zijn terughoudingsrecht. Zolang zijn opdrachtgever de opeisbare betalingstermijnen niet had betaald kon hij zijn verplichting opschorten om de woningen, waaraan hij gewerkt had en die hij door het bezit van de sleutels in zijn feitelijke macht had, “op te leveren” in de staat waarin die zich bevonden ten tijde van de opzegging.

Dat het nodig was zich zo goed mogelijk in te dekken tegen het risico, dat hij niet betaald zou worden, blijkt wel uit het feit dat hij het faillissement van zijn opdrachtgever had aangevraagd. Maar in de spoedprocedure voor de Raad spraken de scheidslieden als hun mening uit, dat het hier geen rechtsvraag betrof maar dat de afweging van de belangen van opdrachtgever en aannemer hier de doorslag diende te geven. Als belang van de opdrachtgever gold natuurlijk dat door een verdere vertraging de schade zou oplopen, maar het belang van de aannemer, dat hij zekerheid diende te hebben voor de betaling van zijn rekeningen, kon toch ook niet genegeerd worden.

Hij wilde – 774.000 als bankgarantie hebben, maar dat vond de Raad geen erg aannemelijk bedrag. Dat moest in de bodemprocedure maar bekeken te worden. Toch kwamen de arbiters er niet onderuit om een bedrag te noemen, waarvoor de eisende opdrachtgever een bankgarantie diende te stellen, wilden zij de ontruimingseis ke toewijzen. Na de erkenning van het belang van de aannemer konden zij toch moeilijk hem zijn wettig gebruikte middel ontnemen. Daarom verbonden zij aan de uitspraak dat de aannemer de panden binnen twee dagen moest ontruimen, de voorwaarde, dat de opdrachtgever ten behoeve van de aannemer een bankgarantie van – 350.000 zou stellen. Die garantie diende onherroepelijk te zijn tot vier weken nadat een beslissing over de wederzijdse vorderingen kracht van gewijsde zou hebben gekregen.

Wat overbodig voegen de heren er aan toe dat de sleutels ook aan de architect van de opdrachtgever overhandigd mochten worden. Ik neem tenminste aan dat de machtiging van de architect om namens de opdrachtgever te handelen ook zo’n bevoegdheid inhield.

(BR 1993 p. 407)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels