nieuws

Gemeente tegen tropisch hout

bouwbreed

Het middel van de overheid om zijn burgers zich te laten gedragen zoals zij dat wil is de regelgeving: voor het centrale gezag zijn dat de wetten, besluiten en ministeriele regelingen en voor provincie en gemeente de verordeningen. Als nu een gemeentebestuur op grond van de bestaande regelingen zijn inwoners niet kan verbieden iets te doen dat indruist tegen het gemeentelijk beleid kan het dan een privaatrechtelijk middel aanwenden om zijn doel te bereiken?

Dat was de vraag waarvoor de gemeente Uithoorn zich gesteld zag om het gebruik van tropisch hardhout te verhinderen.

Bij de herziening van de Woningwet in 1991 is een bepaling in die wet opgenomen, die moest verhinderen dat gemeenten het privaatrechtelijk middel zouden gebruiken om de dereguleringsopzet van de regering te ondermijnen. Die wet en het daarop gebaseerde Bouwbesluit geven bouwtechnische voorschriften waardoor niet alleen de veiligheid en gezondheid van de mensen maar ook de bruikbaarheid en energiezuinigheid van het gebouw wordt bevorderd.

Het gebruik van tropisch hardhout had daarin ook geregeld ke worden, maar dat lag niet in de lijn van het regeringsbeleid. Dat is gericht op de matiging van het gebruik van tropisch hardhout, maar alleen van dat wat niet duurzaam wordt geproduceerd. Die matiging wil zij niet bereiken door een wettelijk verbod en evenmin door een verbod van de lagere overheden.

Hoewel het de gemeente niet vrijstaat om langs privaatrechtelijke weg het centrale beleid, zoals dat neergelegd is in het Bouwbesluit en het in 1991 in de Woningwet opgenomen nieuwe vergunningenstelsel te omzeilen, geldt dat verbod alleen voor de vier in de wet genoemde terreinen. Daar zit wel het energie-aspect van het milieu in maar alle andere milieu-aspecten niet. Het stellen van de voorwaarde in de overeenkomst waarbij de betreffende bouwgrond wordt verkocht, dat bij de bebouwing van die grond geen tropisch hardhout mag worden gebruikt, is daarom een toegestaan privaatrechtelijk middel om in een gemeente de aanwending van tropisch hardhout tegen te gaan.

Dat middel wenste Uithoorn te gebruiken; daarbij nam zij de doelstelling, die voor gemeenten is neergelegd in het Kaderplan aanpak NMP serieus. Er zijn genoeg alternatieven voor tropisch hardhout voorhanden vond Uithoorn. Die werden opgesomd in de bebouwingsleidraad voor een nieuwe wijk in de gemeente: Europees hardhout, al of niet verduurzaamd naaldhout, Larix, Oregon Pine, White en Red Cedar, Redwood. En bovendien kun je in plaats van hout nog altijd kunststof of aluminium gebruiken, vond de gemeente.

Mogelijkheden genoeg om te komen tot een beleid dat geen tropisch hardhout wordt gebruikt. Alleen als kon worden aangetoond, dat een van de opgesomde alternatieven niet toepasbaar was, gold dat verbod niet. Maar zo’n situatie zal praktisch wel nooit voorkomen.

Toen de koper van een perceel bouwgrond in die nieuwe wijk van Uithoorn in 1992 de koopakte onder zijn neus kreeg, zag hij daarin de bepaling, dat zijn bouwplan ook zou worden getoetst aan onder andere de paragraaf in de bebouwingsleidraad, waarin de toepassing van tropisch hardhout in beginsel werd uitgesloten. Hoewel de koper bij die gelegenheid beloofde, dat hij de in de leidraad opgenomen verplichtingen zou nakomen liet hij voor de ramen, deuren en kozijnen van zijn woning toch tropisch hardhout gebruiken.

Dat kon Uithoorn natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. De gemeente liet de nieuwe huiseigenaar weten, dat hij de tropisch hardhouten delen van zijn woning moest verwijderen en diende te vervangen door wel toegestaan materiaal. Gezien de kosten die daarmee gemoeid zouden zijn, weigerde de man dat niet helemaal onbegrijpelijk. Toen zat er voor de gemeente niets anders op dan de naleving van de koopvoorwaarde gerechtelijk af te dwingen. Zo kwam de zaak voor de president van de Amsterdamse rechtbank. De kernvraag, die hij moest beantwoorden, was of de gemeente dit verbod wel langs privaatrechtelijke weg had mogen opleggen. In het algemeen, zo zei de president, mag de overheid, dus ook een gemeente, die weg gebruiken, Maar zij moet bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak wel binnen de grenzen van de wet blijven. Een daarvan is de Woningwet en omdat tot de doelstellingen, die op grond daarvan niet privaatrechtelijk behartigd mogen worden, niet de bescherming van het milieu behoort, kan het privaatrechtelijk middel in dit geval dus toelaatbaar worden geacht.

Een andere belangrijke vraag, die aan de orde kwam, was of hier geen sprake was van een ‘algemene voorwaarde’, die als een onredelijk bezwarend beding moet worden beschouwd. Van zo’n beding zegt het Burgerlijk Wetboek (art. 6:233), dat het vernietigd kan worden onder andere als het voor de wederpartij in verband met alle omstandigheden onredelijk bezwarend is. Die omstandigheden beziend, enerzijds het in haar beleid betrekken van de wenselijkheid het gebruik van tropisch hardhout terug te dringen en anderzijds het bewust handelen van de koper in strijd met het in de koopovereenkomst opgenomen verbod, kwam de president tot de conclusie dat het hier geen onredelijk bezwarend beding betrof.

Daarbij negeerde de president een eerdere uitspraak van en hogere rechter: de Hoge Raad had in 1986 al beslist, dat het algemeen belang (hier dus de bescherming van het tropisch regenwoud) geen rechtvaardiging is voor zo’n beding. En ook de overweging, dat de burger toch de vrijheid heeft om het beding niet te aanvaarden (hier dus: door de grond niet te kopen) wilde er bij onze hoogste rechter niet in. Nee, het is juist de monopolie-positie van de gemeente tegenover zijn burgers, die in de te maken afweging een belangrijke rol moet spelen. Daar kan dan ook nog bijkomen, dat het beleid van Uithoorn in dit opzicht niet parallel loopt met dat van het Rijk en dat de prive-belangen van de burgers hier wel erg benadeeld worden.

Of de Hoge Raad in dit geval tot een ander oordeel gekomen zou zijn dan de President zullen we nooit weten. Nadat de koper van zijn veroordeling tot het verwijderen van het hardhout in hoger beroep was gegaan, bleek de gemeente toch bereid tot een compromis. Hoe dat luidt vermeldt het maandblad Bouwrecht helaas niet.

(BR 1993 p.981, BR 1994 p. 987)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels