nieuws

Bouw niet voldoende op de hoogte van gevolgen Energie Prestatie-eis

bouwbreed

Architecten en aannemers zijn zich niet voldoende bewust van de gevolgen van de invoering van de EP-eis. Die wordt per 1 oktober opgenomen in het Bouwbesluit. Bij alle bouwaanvragen moet dan de EPC (Energie Prestatie Coefficient) overlegd worden. Niet alleen de bouwkundige, maar ook de installatietechnische voorzieningen moeten op dat moment bekend zijn.

Dat kan alleen als architecten en installateurs gezamenlijk in een vroeg stadium de EP-coefficient bepalen. Opdrachtgevers die een groot gebouw in voorbereiding hebben, moeten daarom nu al rekening houden met de EP-eis. Na 1 oktober ke zij immers geen bouwaanvraag meer indienen zonder EP-coefficient.

Het is onmogelijk om de EP-coefficient te berekenen als niet alle gegevens van de installaties bekend zijn. De installateur moet van nu af aan dus reeds vroeg bij het plan betrokken worden. Een aanvaardbare Energie Prestatie is slechts mogelijk als de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen goed op elkaar zijn afgestemd. In de berekening van de EP-coefficient worden zowel bouwtechnische als installatietechnische variabelen ingevuld.

Niet bekend

Praktijkrichtlijnen

Wie invloed wil hebben op de eisen, die straks aan de Energie Prestatie van gebouwen gesteld gaan worden, moet er snel bij zijn. Binnenkort worden de eisen vastgesteld. In het voorjaar verschijnen de praktijkrichtlijnen NPR 5129 en NPR 2917. Deze richtlijnen worden door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven in de vorm van twee computerprogramma’s. Met behulp van deze programma’s is het mogelijk EP-coefficienten van gebouwen te bepalen, als de gegevens van de installaties in die gebouwen bekend zijn. Er komen tabellen met waarden, waar de EP-coefficient niet boven mag liggen. De berekening van It-waarden wordt afgeschaft. Het is ook niet meer zo dat voor bouwkundige constructies met een hoge Rc-waarde geen berekening hoeft te worden overlegd. Alle bouwplannen worden op hun Energie Prestatie getoetst, zowel bij de bouwaanvraag als bij de oplevering. Blijkt achteraf dat de EP-coefficient te hoog is, dan mag het gebouw niet in gebruik genomen worden.

Voor de controlerende ambtenaren verandert er ook veel. Het nagaan van de It-waarde is relatief gemakkelijk, omdat er sprake is van een formule met slechts drie variabelen. Volgens een analyse die Woon/Energie gemaakt heeft van de NEN 5128 en de NEN 2916 is er bij de bepaling van de EPCW (Energie Prestatie Coefficient Woongebouwen) sprake van 148 variabelen en bij de EPCU (Energie Prestatie Coefficient Utiliteitsgebouwen) gaat het om maar liefst 247 variabelen. Het is niet meer mogelijk om de berekening met de hand te doen. Ook is het niet mogelijk om de formule voor de EP-coefficient op een velletje papier op te schrijven. Er zijn zoveel verschillende subformules en voorwaarden, dat het ondoenlijk is om zelf aan de hand van de norm de EPC te bepalen. Het is dus noodzakelijk om een computerprogramma te gebruiken, bijvoorbeeld de software van de NPR 5129 en de NPR 2917.

Aanduiding

“De Energie Prestatie is een aanduiding van het mogelijke energiegebruik per jaar per oppervlak”, legt Van Dam uit. “De aanleiding tot de eis is, dat de besparing op energie volgens het NMP+ niet gehaald wordt. Dat zou komen door onvoldoende afstemming van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen. Daarom is de formule voor de Energie Prestatie ontwikkeld.” De verwachting is, dat door de integratie van bouw en installatie wel aan de eisen van het NMP+ voldaan kan worden.

Van Dam plaatst de nodige kanttekeningen bij de EP-eis. “Tijdens het bouwproces wijzigingen aanbrengen in de installatie mag niet meer. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om achteraf een koelinstallatie te plaatsen. Dat levert een te hoge EP-coefficient op, dus volgt afkeuring van het gebouw. Een mogelijkheid om dit te omzeilen is gebruik te maken van stekker-installaties. Alle installaties die met een stekker in een contactdoos aangesloten worden, tellen niet mee bij de berekening van de EPC.”

Ramen openzetten

Een ander bezwaar vindt Van Dam, dat er een bepaalde waarde als eis wordt gesteld. De coefficient mag niet hoger zijn dan die waarde, want dan is de prestatie lager dan de eis. Er zal geen moeite meer worden gedaan om een betere prestatie te leveren, verwacht Van Dam. “Bovendien zegt de EP-coefficient niets over het werkelijke energieverbuik. In een gebouw met een zeer lage EP-coefficient, dus een hoge prestatie, kan veel energie worden verbruikt. Iemand kan bijvoorbeeld elke morgen de ramen een half uur tegenover elkaar openzetten en daarna het gebouw weer op laten warmen.” Daar staat tegenover dat er geen gebouwen meer uitgevoerd ke worden, die ongeschikt zijn voor energiezuinig gebruik. Wie niet bewust met energie omgaat, kan in zo’n gebouw niet al te veel energie meer verspillen.

Van Dam merkt op, dat bij woningen de mogelijkheid van warmteterugwinning niet in de norm is verwerkt. Ook telt bijvoorbeeld een elektrische radiator niet mee, omdat die met een stekker wordt aangesloten. Hetzelfde geldt voor ‘split-units’, kleine airconditioners. De invloed van luchtgordijnen, bijvoorbeeld in winkels, is ook niet in de normen verwerkt.

Niet alleen het controleren van de EP-coefficient wordt lastig, ook het berekenen ervan is zonder computerprogramma niet te doen. Volgens Van Dam is het zo, dat als twee verschillende mensen met dezelfde norm in handen voor hetzelfde gebouw de EP bepalen, er een verschillende EP-coefficient uit kan komen. Een verschil van interpretatie kan bijvoorbeeld leiden tot de waarden 1,4 en 1,5.

Wie zelf een programma wil maken, moet dus nauwkeurig de interpretatie bij de voorbeelden van de praktijkrichtlijnen volgen. Zekerheid dat verschillende programma’s vervolgens ook voor andere gebouwen dan de voorbeelden dezelfde EP-coefficienten opleveren, is er echter niet. Toch kan een verschil van 0,1 al leiden tot afkeuring van een gebouw.

Een ander nadeel vindt Van Dam, dat er gestreefd zal worden naar de goedkoopste manier om te voldoen aan de EP-eis. Dat is niet altijd de beste oplossing. Het kan betekenen dat veelbelovende ontwikkelingen achterwege blijven, omdat niemand meer de moeite neemt om bepaalde bouwkundige of installatietechnische onderdelen te verbeteren.

Kanttekeningen

Naast de kritiek van Van Dam zijn nog andere kanttekeningen te plaatsen bij de Energie Prestatie. Het kan tot veel verwarring leiden dat gekozen is voor een coefficient, die hoog is bij een lage prestatie en laag is bij een hoge prestatie. Als de consument van twee woningen te horen krijgt dat de ene een Energie Prestatie van 1,5 heeft en de andere een Energie Prestatie van 1,3, terwijl beide voldoen aan het Bouwbesluit en de eerste woning nog goedkoper is ook, krijgt hij of zij de indruk dat de eerste woning de beste koop is.

Dat hoeft echter niet zo te zijn. Een hogere coefficient betekent, dat het gebouw minder geschikt is voor energiezuinig gebruik. De term Energie Prestatie kan in dit opzicht misleidend zijn. Ook zegt de Energie Prestatie niets over de eigenschappen van onderdelen van installaties en gebouwen. De term Prestatie suggereert een bijzondere prestatie. Daar hoeft echter helemaal geen sprake van te zijn. De eis wordt zo gesteld, dat een doorsnee hedendaagse woning eraan voldoet. Dat wil zeggen, dat de gebruikers in zo’n woning een prestatie ke leveren. Ze moeten dat vervolgens ook wel doen.

Gerichte maatregelen

Bij het stellen van de EP-eis is geen rekening gehouden met de 80%/20%-regel, maar wel dat alle variabelen meegenomen zijn. Volgens de regel is met 20% van de maatregelen 80% van de problemen op te lossen. Bij woningen gaat het om verwarming van de ruimte en het tapwater, bij kantoren zijn verwarming, ventilatie, verlichting en koeling bepalend. Door gerichte maatregelen is daar de meeste energiebesparing te bereiken. Het heeft niet altijd zin om alle mogelijke variabelen te verwerken, zoals voorgeschreven bij de berekening van de EP-coefficient. Er is een ambtelijke volledigheid nagestreefd, die haaks lijkt te staan op het streven naar deregulering.

Tenslotte kan een punt van kritiek zijn dat de praktijkrichtlijnen worden uitgegeven in de vorm van software voor pc’s met DOS, een grafisch scherm en tenminste een 386-processor en een muis. Impliciet schrijft het Bouwbesluit straks het bezit van die apparatuur voor, omdat het anders niet goed mogelijk is te voldoen aan de EP-eis.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels