nieuws

Weerzinwekkend lekker

bouwbreed Premium

Het is hoekig, grijs en monotoon, het kantoor dat architectenbureau Quist langs de snelweg bij Zoetermeer zette. Wat maakt het toch zo aantrekkelijk? De A12 en de spoorlijn Den Haag – Utrecht ter hoogte van Zoetermeer. Woonwijken achter geluidschermen en hier en daar een kantoorgebouw. Gezellige kleurtjes en vormpjes om er de moed in te houden. Er is een rond kantoor met rode ramen. Een ander heeft groene ramen en afgesnoten hoeken. Speklagen in het metselwerk. Het geluidscherm heeft blauwe en bruine accenten.

In die omgeving verrees een hoekig betonnen blok, dat even hoekig en grijs bleef toen het werd bekleed met grijs geglazuurde bakstenen. Op het dak verrees een ongemeen ordinaire dakopbouw voor lift en installaties: gewoon een grijze doos. In de kozijnen kwam simpel blank glas. Het gebouw van het Rotterdamse architectenbureau Quist (poarchitect C. van Gent) riep vreugde bij mij op, heimelijke vreugde.

Wat schuilt er achter die bijna perverse aantrekkingskracht? Wat maakt dit strenge gebouw zo lekker, weerzinwekkend lekker welhaast? Niet perse dat het strak is. Het is meer: het is vooral ook stenig en hard. Messcherp afgesneden langs de rooilijnen. Ongehoord basaal. Geen vormpjes, geen kleurtjes. De brutaliteit, om zonder beleefde prevelementjes alleen maar te tonen wat het is. Het is niet goedkoop brutaal. De grijs geglazuurde steen is niet de goedkoopste en is zelfs met enig relief in het gevelvlak aangebracht.

Er is dus veel moeite gedaan om het gebouw doodgewoon te maken. Wat maakt dat masochisme van de architect zo aantrekkelijk?

Wellicht is het aantrekkelijk als reactie op de veelvormigheid van andere kantoorarchitectuur. Dat zijn van die nadrukkelijke composities die hun verbijzonderingen opdringen aan de passant. Daar wordt niet voor niets vaak smalend over gedaan: spiegelpaleizen worden ze genoemd, snelwegarchitectuur. Ze zijn doelwit van een waar beschavingsoffensief dat is ingezet met landelijke en lokale architectuurnota’s, beeldkwaliteitsplannen, stimuleringsfondsen en keurmeesters.

Toch moet de vraag gesteld worden wat de precieze reden is om zo smalend te doen. Ik wil me niet laten vangen in het cliche dat het hier gaat om kitscherige drukdoenerij waarbij het kantoor van Quist/Van Gent zou afsteken als superieure, subtiele verfijning. Er is geen architectonische wet die verbiedt om een sculptuur te maken van een gebouw. Er is evenmin een gebod om het uiterst simpele programma voor een kantoorgebouw even simpel te verbeelden. Evenmin leidt de keuze voor een bepaalde constructietechniek onmiddellijk en eenduidig tot een architectonisch beeld. Daar zitten vele intermediaire keuzes tussen. Alle snelwegarchitectuur is het bewijs dat er geen dwingende relaties bestaan tussen ontwerp en programma of constructietechniek – anders had zij immers niet ke bestaan. Om de kitscherige snelwegarchitectuur vanwege dit verbreken van relaties te diskwalificeren als non-architectuur, is een cirkelredenering die niets oplevert.

De onbepaaldheid van het gegeven (programma, bouwtechniek, symbolische betekenis) werpt de architectuur terug op zichzelf. De bijna grenzeloze vrijheid confronteert de architect met zijn eigen a priori’s. Waarom het een doen of het ander laten?

Organische architecten, zoals Alberts en Van Huut met het kantoor voor de Gasunie, hebben het in dat opzicht relatief makkelijk. Zij ke hun ontwerp verankeren in een alomvattende visie op het leven – wat men over die visie verder ook denkt. Maar voor hen is de pech natuurlijk dat hun gebouwen, zoals die verhuurkantoren langs de snelweg bij Bunnik, er in hun indifferente omgeving toch weer wezenloos bijstaan.

Wezenloos

Merkwaardig. Waar leidt alle vrijheid toe, wat komt er tot uitdrukking? De wezenloosheid.

Wat maakt al die kantoorgebouwen langs de snelwegen inderdaad allemaal zo wezenloos? Zoals gesignaleerd bij de voorbeelden van Alberts en Van Huut in Bunnik, lijkt dat minder in de architectuur en meer in de stedebouw te schuilen. Blijkbaar verwachten we een soort samenhang die de gebouwen minder wezenloos maakt. Die iets tot uitdrukking brengt wat de architectuur op zich niet kan verbeelden.

Als die verwachting wordt beschaamd moet niet alleen aan de vorm van de stedebouw worden gedacht, eerder aan de inhoud: de programmatische verscheidenheid (of het gebrek eraan).

Overigens, netzomin als in de architectuur functie onmiddellijk leidt tot vorm is dat in de stedebouw het geval. Functiemenging leidt niet direct tot wezenlijker vormen dan functiescheiding. Maar, zonder er in dit bestek het te woord over te willen zeggen, het leidt wel tot een grotere kans op meer dynamiek, contrasten en intensiteit van grondgebruik.

Wie in een monofunctioneel kantoorreservaat werkt, kan weten hoe verschrikkelijk het is dat je je tussendoor alleen kunt verpozen met wandelingetjes over parkeerterreinen. Je zit domweg opgesloten. Daarbij opgeteld de verschrikking van het getinte glas, een zomer en winter verplichte zonnebril die je elke vreugde over nuances en glans in het daglicht beneemt. Plus de even ongevarieerde kwaliteit van de binnenlucht. En de claustrofobische gangen met kamertjes, die dodelijk zijn voor wat er nog kan resten aan vitaliteit.

Vrije markt

VVD’ers opgelet. Dit in alle opzichten miserabele resultaat is het gevolg van het diktaat van de vrije markt. De maximalisatie van ieders eigen voordeel (voorzover deze geen inbreuk pleegt op andermans vrijheid of grondrechten) leidt dus uiteindelijk tot wat nog nauwelijks minimaal aanvaardbaar is in plaats van maximaal haalbaar. Dat minimum is qua arbeidsomstandigheden dan nog slechts te danken aan overheidsregulering, anders lag het nog lager. Een vergelijkbaar voorbeeld is de plafondhoogte in de woningbouw: het wettelijk minimum is tegelijk het maximum in de markt en is de laatste decennia systematisch gedaald naarmate de overheid terugtrad.

Het intrigerende van architectuur en stedebouw is dat het dit spanningsveld tussen individueel voordeel en collectief nadeel zo zichtbaar maakt. Het is de spiegel van de samenleving. Om een collectief gezien aantrekkelijker niveau te bereiken is blijkbaar een minder op de individuele vrijheid en meer op de gemeenschappelijke samenhang gerichte benadering nodig. Hoe dat moet, is nog een open vraag. Nog meer van de bestaande regulering of nog sterker een stedebouwkundige vorm opleggen, is in mijn ogen net zo weinig heilzaam als het toedienen van grotere hoeveelheden van een medicijn naarmate het steeds minder resultaat blijkt op te leveren. Kortom, het is tijd voor een grondige discussie over de grondslagen van onze ruimtelijke ordening.

Op de een of andere manier maakt Quist dat zichtbaar met zijn minimum rantsoen van prozaische nuchterheid, wars van mooidoenerij. Het rantsoen wekt tegenspraak, mogelijk zelfs weerzin. Toch smaakt het lekker. Dat komt omdat het gebouw zijn situatie verheldert. Het zet aan het denken, zoals uit de loop van dit betoog blijkt. Dat het gebouw zo hard is, zo nadrukkelijk van steen, is essentieel. Dat geeft er gewicht en tijdloosheid aan. Nu de hausse van de kantorenbouw al enige jaren voorbij is, staat het er als vermanend ‘monument’ voor de volgende ronde van vastgoedgekte en ruimtelijke ordening.

Reageer op dit artikel