nieuws

Cuypers leerzame strijd met het verleden

bouwbreed Premium

Waarom bewaren wij gebouwen? Het antwoord op die vraag bepaalt in hoge mate hoe wij ze vervolgens moeten bewaren. Voor Cuypers was dat bewaren, dat restaureren, een historische handeling, scherp onderscheiden van louter onderhouden, repareren of herstellen. Bij die laatste gaat het om het eigentijds bouwkundig werk of hoogstens om analogie: iets herstellen in min of meer dezelfde trant. Bij restaureren echter geeft men zich rekenschap van de geschiedenis van een gebouw en neemt daar stelling in: wat van die geschiedenis meer of minder belangrijk is.

De kunsthistoricus Denslagen heeft in zijn boek “Omstreden herstel” al eens getoond hoe de discussie daarover sinds het midden van de achttiende eeuw een aantal steeds terugkerende thema’s omvatte. Bijvoorbeeld die van conservering versus het terugbrengen in een ideaalstaat. Vaste prik is ook dat historici graag het historisch materiaal zoveel mogelijk willen behouden, al ziet het er architectonisch niet welgevallig uit, waar architecten de nadruk op de esthetiek plachten te leggen, desnoods door middel van contrastrijke ingrepen of fantasievol terugrestaureren. Wies van Leeuwen beschrijft in zijn indrukwekkende standaardwerk “De maakbaarheid van het verleden” zeer gedetailleerd hoe Cuypers daarin positie koos. Te gedetailleerd om constant een breed publiek te boeien, maar beeldend en overtuigend genoeg om in grote lijnen duidelijk te maken dat Cuypers keuzes nog steeds actueel zijn.

Cuypers restaureerde om de perfectie van een serie historische typen te tonen, vooral gotische kerken. Al waren de historische restanten van sommige ruineuze bouwsels beperkt, wetenschappelijk redenerend kon toch een beeld worden opgebouwd hoe die gebouwen eruit gezien moesten hebben, meende Cuypers. En vervolgens ging hij aan de slag: desnoods bleef geen steen op de andere om dat historische ideaalbeeld te bereiken. Dat kon betekenen dat bijvoorbeeld alle barokke toevoegselen aan een gotische kerk werden gesloopt – en soms weggeroofd om vervolgens in het Rijksmuseum te worden uitgestald! Latere generaties hebben op goede gronden Cuypers inzichten betwist hoe de gotiek eruit moet hebben gezien en sloopten dan op hun beurt diens negentiende eeuwse werk om het gebouw weer terug te brengen naar – ja, naar wat? De originele toestand kon het allang niet meer zijn. Ook die latere generaties wilden weer hun versie van de geschiedenis tonen, of hun interpretatie van wat stijlvol is. Van Leeuwen laat zien dat de discussies die Cuypers over zijn restauratiewerk voerde bepaald niet zo karikaturaal zijn geweest als men in deze eeuw tot voor kort geloofde (en ook hier weer een beetje zo beschreven is). Vele nuances kwamen aan de orde en thema’s die ook nu nog spelen. Vooral boeiend is de wisselwerking tussen Cuypers restauraties en diens eigen ontwerpwerk. In zijn handen was het verleden levend. In vergelijking daarmee is het verleden tegenwoordig slechts een dode letter.

A.J.C van Leeuwen: ‘De maakbaarheid van het verleden: P.J.H. Cuypers als restauratiearchitect’. Uitg.: Waanders, Zwolle 1995; 21×28 cm, 260 blz; f. 65. ISBN 90.6630.396.4.

Reageer op dit artikel