nieuws

De stand van zaken in stedebouw

bouwbreed Premium

Het is het lot van ontwerpers in dit tijdsgewricht dat ze moeten leven met een bijkans neurotische onzekerheid over hun eigen positie en ke. Niet alleen binnen de architectonische discipline laaien steeds weer discussies op over de eigen legitimiteit, ook stedebouwers moeten zich steeds weer afvragen: op grond waarvan doen we ons werk, met welke inzet en voor wie?

Onvermijdelijk beinvloedt deze onzekerheid ook het ontwerponderwijs. Hoe moet dat worden ingericht? Al snel dreigen dan stuurloosheid en gebrek aan inhoud.

Om de dialoog tussen theorie en praktijk en het stedebouwkundig onderzoek op wetenschappelijke grondslag een impuls te geven heeft de stedebouwersclub Polis de resultaten van enkele studiebijeenkomsten gebundeld onder de titel ‘Zover het oog reikt – Ontwerpend sturen aan de stad’. In kort bestek geeft deze bundel een aardig, zij het soms erg abstract, overzicht van de verschillende posities die stedebouwers in Nederland innemen. De bijdragen in de bundel zijn veelal reacties op elkaar.

Een uiteenlopende reeks onderwerpen komt aan de orde. Van een concrete discussie over de herinrichting van de Bijlmer tot de reflecties over de analogie van de transformatie van de huidige stad met de overgang van de gesloten middeleeuwse stad naar de industriele stad.

Van de inrichting van de Randstad tot het bestuurlijk (on)vermogen bij de planvorming. Het veranderd economisch perspectief komt aan de orde: was vroeger een open-eind planning mogelijk waarbij pas op langere termijn de kosten en baten kwamen vast te staan, nu moet voor elk plan op zich bij voorbaat de rekening betaald zijn. Als woordvoerders treedt daarbij een keur aan bekende namen op: Luuk Boelens, Adriaan Geuze, Joost Schrijnen, Maurits de Hoog, Jaap van Rijs, Dirk Frieling, Donald Lambert en Harm Tilman.

In hun nabeschouwing concluderen Harm Tilman en redacteur Janny Rodermond van de Architect: “Het wantrouwen ten aanzien van het probleemoplossend vermogen van de stedebouw hangt slechts ten dele en misschien zelfs helemaal niet samen met een verminderde kennis binnen de discipline. De positie van de stedebouwkundigen is veranderd, omdat de centrale positie van de publieke planningsinstanties veranderd is. De legitimiteit van hun werkzaamheden heeft geen vanzelfsprekende maatschappelijke relevantie meer, nu allerlei groeperingen met vaak tegengestelde belangen zich op professionele wijze georganiseerd hebben. Dat brengt een voortdurende onzekerheid met zich mee. Deze wordt nog eens versterkt door de pluriformiteit van, en de zich voortdurend wijzigende opvattingen binnen de eigen discipline.”

De standaard praktijk van de stedebouwkundige bestaat dus niet meer – er zijn velerlei praktijken denkbaar en de kracht van een ontwerp is sterk afhankelijk van wisselende machtsconstellaties waarin het fungeert.

Deze bundel biedt dus niet een gepatenteerde oplossing om uit de onzekerheid te komen. Het is een overzicht hoe verschillend de reacties op dat gegeven zijn.

H. Stolte / W. Veldhuis: ‘Zover het oog reikt – Ontwerpend sturen aan de stad’. Uitg.: Thoth (Bussum, 1995); 23 x 16 cm, 95 pag, f. 25. ISBN 90 6868 104 4.

Reageer op dit artikel