nieuws

Limburg zit omhoog met vuile baggerspecie

bouwbreed Premium

Limburg kampt met een aanbod van baggerspecie dat groter is dan de hoeveelheid die kan worden gestort en verwerkt. Het depot voor de berging van baggerspecie waarvoor momenteel een MER wordt opgesteld, komt naar verwacht in 1997 of in 1998 in gebruik. Voor de tussenliggende periode moet een interim-stortbeleid komen. Voorts dienen er initiatieven te komen voor het verwerken van specie.

Dat staat in de ‘Evaluatie en actualisering waterhuishoudingsplan Limburg’. In enkele Limburgse regio’s doet zich een verhoogde achtergrondbelasting met zware metalen voor. In de (water)bodems van westelijk Midden-Limburg gaat het onder meer om cadmium en zink. In het Geuldal komt naast deze metalen ook lood voor terwijl in de (water)bodems van oostelijk Noord-Limburg nikkel zit. Afvoer en stort van deze specie kost dermate veel waardoor enkele poen niet konden doorgaan.

Prioriteitenlijst

Voor een aanzienlijk deel van deze problemen zou een oplossing ke komen als de omgevingskwaliteit niet alleen als ‘terugsaneerwaarde’ geldt, maar onder voorwaarden ook als ‘plafondwaarde’ voor het onbewerkt toepassen van specie in het betrokken gebied. De regionale component in de verontreiniging wordt dan als het ware als richtwaarde gehanteerd. Limburg noemt een dergelijke keuze eenduidig voor alle onderscheiden activiteiten die leiden tot ruimere toepassingsmogelijkheden, een kleiner aanbod van vervuilde specie, geringere verwijderingskosten en dus tot minder vertraging in het uitvoeren van werken. Het gaat in dit geval om klasse 3-specie met een kwaliteit die gelijk aan of beter is dan de omgevingskwaliteit. Limburg wil een grensoverschrijdende aanpak bevorderen van de vervuiling door zware metalen in het Geuldal.

Jaarlijks moet er een prioriteitenlijst komen inzake onderzoek en sanering van vervuilde waterbodems. In 1997 moet 10 procent van de verontreinigde beken uit het saneringsprogramma waterbodems zijn gesaneerd. In 2000 dient 20 procent van specieklassen 2, 3 en 4 te worden verwerkt. De provincie noemt de Interimwet bodemsanering en de Wet bodembescherming niet voldoende geschikt voor de specifieke situatie van de vervuilde waterbodems. Het gaat dan om de verantwoordelijkheden en de wijze van financiering. Er blijkt inzake de uitvoering en financiering geen plaats ingeruimd voor de beheerders van de waterkwaliteit. Een aanvullende wettelijke regeling moet rond deze tijd daarin verandering brengen.

Uitgaven

Als beheerders van havens en stedelijke watergangen dragen gemeenten vaak verantwoording voor het onderhoudsbaggerwerk. De verontreiniging van de waterbodem leidt ertoe dat het onbewerkt hergebruik van baggersepcie onmogelijk is. Met het gevolg dat de realisatie van dergelijke poen forse vertraging oploopt.

De gemeenten staan vaak voor grote financiele uitgaven om dergelijke werken toch te laten plaatsvinden. Het rijk stelt voor de kosten waar mogelijk te verhalen op de vervuiler, de gebruiker of de belanghebbende te laten betalen of een bijdrage uit eigen middelen te verstrekken. Het gaat dan om 90 procent van de meerkosten boven een drempelbedrag van – 100.000. Gemeenten ke de meerkosten echter nauwelijks doorberekenen aan belanghebbenden. Onderzoek moet uitwijzen of een landelijke milieuheffing hier uitkomst kan bieden.

Reageer op dit artikel