nieuws

En de Nederlandse aannemer bouwde bunkers…

bouwbreed Premium

Alles wat er in de oorlogsjaren in ons land gebeurde moet worden gezien in het licht van de toen heersende sfeer van dwang en angst, waaronder de hele bevolking leefde. Afgezien van hen, die echt met volle overtuiging aan het systeem meewerkten, dienen we zelfs collaboratie in dat licht te beoordelen.

Bij het verschijnen van het door de gemeente Den Haag uitgegeven boek over de Atlantik wall in Den Haag werd bekend, dat men eraan denkt een aantal van de bunkers, die de Duitsers vanaf 1942 in die stad lieten bouwen, op de monumentenlijst te plaatsen. Lieten bouwen, want het waren immers geen Duitsers van het bezettingsleger, die ervoor moesten zorgen dat de geallieerden het ‘Grossdeutsche Reich’ niet in de rug konden aanvallen nadat dit zijn aanval op Rusland had geopend. Het waren Nederlandse aannemers die dit grootste bouwpo van de veertiger jaren in ons land uitvoerden.

Het besluit om langs de hele, door de Duitsers bezette, Atlantische en Noordzee-kust een stelsel van verdedigingswerken aan te leggen, werd in december 1941 door Hitler persoonlijk genomen. Zoals dat voor de hele Duitse oorlogseconomie gebeurde werd de Nederlandse industriele capaciteit daarvoor ingeschakeld. Daarbij werd het systeem van de zgn. Auftragsverlagerungen toegepast. Dit hield in dat niet alleen de Duitse overheid, maar ook het Duitse bedrijfsleven produktie-opdrachten verschafte aan Nederlandse ondernemers.

Zo werden ook door de Organisation Todt, die de directie voerde over de bouw van de hele Atlantik wall, Nederlandse aannemers gebruikt voor de uitvoering van de grote poen daarin. Dat waren de, nu vijftig jaar na de bevrijding, nog steeds in groten getale langs onze kust aanwezige bunkers. Die vormden niet zoals de Nederlands vertaling ‘Atlantische muur’ zou doen vermoeden een aaneengesloten geheel van bunkers en tankmuren, maar een stelsel van verdedigingswerken, dat bestond uit een groot aantal losstaande steunpunten. Het schootsveld van de kanonnen in de bunkers daarvan bestreek de hele kust, maar kon ook naar de landzijde gericht worden om een aanval vanaf die kant te weerstaan.

Omdat de Duitse filosofie ervan uitging, dat de geallieerden een invasie zouden uitvoeren dicht bij een grote haven, werd bij de bouw in Nederland de nadruk gelegd op Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland, Vlissingen en Scheveningen. Hoewel die laatste als vissershaven voor het ontschepen van troepen en materieel niet erg geschikt was, dient bedacht te worden dat Den Haag het Duitse bestuursapparaat, het Reichskommissariat huisvestte. In de grootste bunker van deze stad zat de Reichskommissar Seyss-Inquart; deze Clingendael-bunker wordt nu nog door Defensie gebruikt!

In de winter van 1942-1943 moesten hier voor de Duitsers niet minder dan 2000 bunkers worden gebouwd. Maar door gebrek aan arbeidskrachten, materiaal en brandstof werd dit bouwprogramma bij lange na niet gehaald; slechts 510 kwamen er tot mei 1943 klaar. De meest ingrijpende beslissing voor de Haagse bevolking was echter die om de verdedigingslinie aan de kust naar de landzijde uit te breiden. Een tankgracht werd dwars door de bebouwde kom gegraven en om daarvoor een vrij schootsveld te krijgen moest een deel van de stad met de grond gelijk worden gemaakt. In december 1942 begon men met de sloop van 2400 huizen; dat werk werd ‘aangenomen’ door een drietal Nederlandse bedrijven!

Ongetwijfeld moeten de Nederlandse bedrijven, die zich vrijwillig aanmeldden om voor de Duitse oorlogsinspanning te werken, als collaborateurs worden beschouwd. Maar niet alle ‘bunkerbouwers’ en andere aannemers, die opdrachten van de Duitsers uitvoerden, hadden daartoe de vrije keus. Weigering om voor de Duitsers te produceren, hield de grote kans in dat er een ‘Verwalter’ werd aangesteld, zoals bij Philips gebeurde. Dan was men nog verder van huis.

De dwangpositie waarin Nederland zich bevond, gold niet alleen op industrieel terrein. Ook op bestuurlijk gebied leidde die tot collaboratie met de bezetters in een omvang, die er na de oorlog toe leidde om van een grondige zuivering maar af te zien. En wat te denken van de vele duizenden arbeiders, die vanaf 1942 meehielpen de Atlantikwall te bouwen? Zij waren daartoe niet eens verplicht op grond van de verordening, waardoor burgers gedwongen konden worden bepaalde prestaties te verrichten ‘in het algemeen belang’. Op weigering stond een straf van ten hoogste vijf jaar gevangenis of een geldboete van maximaal honderdduizend gulden.

Nee, het waren de hoge lonen en de belofte dat zij niet naar Duitsland hoefden, dat 48.000 mannen bereid waren om voor de bunkerbouwers te werken. De bouw van het Nederlandse deel van de Atlantikwall zou niet mogelijk zijn geweest zonder die Nederlandse inbreng, net zo min als dat in Noorwegen, Belgie en Frankrijk het geval was. Hoe belangrijk die bouw door de bezetters werd gevonden blijkt wel uit het op 1 juli 1942 door hen uitgevaardigde algemene bouwverbod. Daardoor kwam de totale Nederlandse bouwcapaciteit beschikbaar voor Duitse militaire poen. Dat was vier keer zo veel als de totale bijdrage van het Nederlandse industriele apparaat aan de Wehrmacht.

Maar zelfs de hele Nederlandse bouwwereld was niet in staat aan de Duitse behoeften te voldoen; de Atlantikwall moest op tijd klaar! Daarom werden de Gewestelijke Arbeidsbureaus ingeschakeld om voldoende arbeiders te vinden om de betonnen versterkingen af te maken, versperringen aan te leggen en tankgrachten te graven. Als dat niet voldoende mensen zou opleveren moesten de burgemeesters inwoners van hun gemeente vorderen om te gaan ‘spitten voor de Moffen’, zoals dat in de volksmond al gauw genoemd werd.

Dat gebeurde het eerst in Zeeland. Op 21 november 1943 werden ruim honderd mannen, met fiets en schop, opgeroepen om twee weken lang te komen graven en toen dat niet genoeg mensen opleverde, werden eerst de oudere leden van de Ambachtsschool daartoe gedwongen en later zelfs de directeuren en leraren tot vijfenveertig jaar en alle mannelijke leerlingen boven de zeventien. De weigering van een aantal directeuren om daaraan mee te werken leidde ertoe, dat zij en hun leerlingen opgehaald werden en even later schouder aan schouder stonden te graven onder toezicht van een paar Duitse soldaten.

Hoe riskant het was om te weigeren zoals de man deed in Terneuzen, die zei “alleen maar voor God en de koningin te willen werken”, bleek wel uit de arrestatie van acht burgermeesters in Noord-Brabant, waarvan er zeven omkwamen in Duitse concentratiekampen. Dat de bouwer in Nederland van mei 1940 tot de bevrijding zijn beroep moest uitoefenen onder een systeem, dat alleen maar als volslagen rechteloos kan worden gekenschetst, zou ons tot het besef ke brengen, dat we nu in een onvergelijkbaar betere tijd mogen leven dan zo’n dikke vijftig jaar geleden. Alle ingewikkelde wettelijke regelingen en de als hinderlijk ervaren ambtenarij op bouwgebied ten spijt.

Reageer op dit artikel