nieuws

Vooral bouw getroffen door bezuinigingen in Europa

bouwbreed Premium

De financieringstekorten en staatsschulden zijn in de Westeuropese landen sterk gestegen. Hoewel enig financieringstekort van de overheid bij kan dragen aan een positieve ontwikkeling van de economie, zijn de tekorten in de meeste landen te groot geworden en hebben dientengevolge de staatsschulden een grote omvang bereikt. Bezuinigingen worden veelal gerealiseerd door beperking van investeringen, en dat zijn vooral bouwinvesteringen. Het aantrekken van de conjunctuur kan bijdragen tot herstel, maar gezien beschikbaar cijfermateriaal zal dat een moeizaam proces zijn.

De laatste jaren is in de Westeuropese landen het tekort op de begrotingen van overheden gestegen en daardoor ook de staatsschuld toegenomen. In 1989 was blijkens cijfers van de OECD, die wij ontlenen aan een studie van het franse instituut BIPE, het financieringstekort in de landen van West-Europa gemiddeld nog rond 2,5% van het bruto binnenlands produkt. In 1993 was dat gestegen tot gemiddeld 6,3%. De ontwikkeling van de staatsschulden was dienovereenkomstig: van gemiddeld ruim 57% van het BBP in 1989 tot bijna 67,5% in 1993.

Niet negatief

Het verband tussen de omvang van overheidsbestedingen die de inkomsten overtreffen (dus van een financieringstekort) met de economie is nogal ingewikkeld. Zonder daarop diep in te gaan, kan worden gesteld dat het effect van een financieringstekort op de economie niet onder alle omstandigheden negatief hoeft te zijn. De bestedingen van overheden, zelfs als die groter zijn dan de inkomsten, ke een welkome aanvulling zijn op de particuliere vraag, wanneer die achterblijft bij de daarvoor beschikbare bestedingsruimte.

Daarmee zijn de bestedingen van de overheid een steun voor de vorming van het bruto binnenlands produkt en de daarmee samenhangende werkgelegenheid. Ter dekking van een financieringstekort zal de overheid wel moeten lenen, maar door de achterblijvende particuliere bestedingen zijn daarvoor de besparingen op de kapitaalmarkt beschikbaar.

Een aanvaardbaar financieringstekort heeft echter wel zijn grenzen. Bij een groot tekort zal de overheid veel moeten lenen. Dat kan het rentepeil op de kapitaalmarkt opdrijven, waardoor het voor de particuliere sector onaantrekkelijk kan worden te investeren, met alle negatieve gevolgen voor de conjunctuur en de werkgelegenheid. Bovendien leggen de daaruit voortvloeiende rentelasten een groeiend beslag op toekomstige begrotingen, waardoor het financieringstekort een permanent karakter kan krijgen. Het is in theorie mogelijk de grenzen te bepalen; de in Maastricht gestelde norm voor deelneming aan een eventuele europese monetaire unie is op 3% gesteld.

Toegenomen

De overheidsbestedingen en daardoor het aandeel van de overheid in de totale economie zijn in de achter ons liggende jaren in alle landen toegenomen. Dit werd veroorzaakt doordat de overheden een groter aantal taken op zich hebben genomen, taken vooral op het gebied van welzijn en sociale zekerheid. Zolang ieder jaar nog afsloot met een redelijk percentage economische groei, was de financiering van die taken geen groot vraagstuk. In de tweede helft van de jaren zeventig begonnen zich daarbij echter reeds problemen af te tekenen, die groter werden toen in de jaren tachtig een recessie begon. De snel groeiende werkloosheid leidde tot een toenemend beroep op sociale voorzieningen, terwijl de inkomsten van de fondsen zowel als de belastingopbrengsten door de dalende conjunctuur afbrokkelden. De financieringstekorten en daarmee ook de staatsschulden, namen toe.

Onder deze omstandigheden waren bezuinigingen onontkoombaar; deze werden echter vooral gerealiseerd door te korten op overheidsinvesteringen. Daar die laatste voor het grootste gedeelte bouwinvesteringen zijn, ondervonden met name de publieke utiliteitsbouw en de civiele sector de nadelige effecten van het financiele overheidsbeleid.

Situatie per land

De ons ter beschikking staande cijfers tonen de sterke groei van de tekorten en schulden van de Westeuropese landen tezamen; helaas ontbreken de gegevens om de ontwikkeling per land te schetsen. Wel zijn gegevens beschikbaar voor een vergelijkend overzicht van de situatie per land in 1993. Bijgaande grafiek geeft een indruk van het financieringstekort en de staatsschuld in 1993 in procenten van het BBP in een dertiental Westeuropese landen.

De situering van een land links onder in de figuur betekent dat zowel het financieringstekort als de staatsschuld in vergelijking tot de andere landen gering zijn. Dat was vooral in de B.R.D. en Noorwegen het geval; in Frankrijk was de staatsschuld relatief niet hoog, maar het financieringstekort wijkt weinig van het gemiddelde af. Daartegenover is de staatsschuld in Belgie met bijna 1,5 maal het BBP het hoogst van alle landen en ook het financieringstekort is met 7,2% nog groot. Ook Italie en Zweden scoren niet erg goed en Zweden is met 12,9% onbetwist koploper bij het financieringstekort en Italie met 9,5% een goede tweede. Voor in een viertal landen (het Verenigd Koninkrijk, Finland, Spanje en Portugal) doet de omvang van het financieringstekort vrezen dat de relatief niet grote staatsschuld verder zal stijgen.

Nederland en Ierland zijn er blijkens de cijfers in geslaagd hun financieringstekort belangrijk terug te dringen, maar de staatsschuld is in die landen nog groot. Met Noorwegen (en Oostenrijk, dat in de figuur ontbreekt, omdat de gegevens deels ontbreken) zijn dit ook de landen die voldoen aan de 3%-norm van Maastricht.

Moeizaam herstel

De opleving van de economie die in 1994 is begonnen, kan bijdragen aan het herstel van het evenwicht op de begrotingen van Europese landen. Die opleving is echter tot dusverre nog bescheiden en verschillende landen zullen er niet aan ke ontkomen maatregelen te nemen om hun financieringstekort verder terug te dringen. De taken waarvoor overheden zich gesteld zien, zijn echter in menig land nauwelijks minder geworden. Een middel om het financieringstekort terug te dringen is, zoals dat in de B.R.D. is gebeurd, belastingverhoging, maar dat is een economisch en politiek weinig aantrekkelijk middel.

Voortgaande afbouw van de overheidsuitgaven – en dat zal grotendeels wel weer ten koste van de investeringen gaan – blijft nodig. Het lijkt erop, dat wij wat het herstel van evenwicht in de overheidsfinancien van verschillende Westeuropese landen betreft nog een lange en moeizame weg hebben te gaan.

Reageer op dit artikel