nieuws

Vertrouwen politiek in corporaties blijkt voor groot deel zoek Nieuwe Kamer brengt Heerma’s bouwwerk aan het wankelen

bouwbreed Premium

Het begon zo mooi, het verliep zo voorspoedig, maar nu de verzelfstandiging van de volkshuisvesting ook op het financiele vlak zijn voltooiing nadert, begint het door oud-staatssecretaris Heerma zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis dan toch te wankelen. Was er voor de verkiezingen van 1994 in de Tweede Kamer vrijwel uitsluitend instemming voor het volkshuisvestingsbeleid; sinds paars aan de macht is, klinkt de kritiek op het ‘oude’ beleid steeds harder door. Het vertrouwen in de corporaties blijkt grotendeels zoek.

De geschiedenis van een van de grootste bestuurlijke reorganisaties ooit in Nederland uitgevoerd, de stelselherziening in de volkshuisvesting, is eigenlijk nog maar een korte.

Nog geen zeven jaar geleden, op 7 september 1988, presenteerde de toenmalige staatssecretaris Heerma zijn Nota Volkshuisvesting in de jaren Negentig; in 1989, toen de Tweede Kamer haar instemming had betuigd, kon de nota tot beleid worden verheven, en sindsdien is met grote voortvarendheid gewerkt aan een ingrijpende stelselherziening in de sociale sector, waarbij termen als decentralisatie, deregulering, en verzelfstandiging en de kreet “van generiek naar specifiek beleid” centraal stonden.

Het te voeren beleid kwam er op neer dat corporaties, gemeenten en regio’s in grote mate verantwoordelijk werden gesteld voor de aanpak en oplossing van volkshuisvestelijke problemen. Zij moesten, in hoge mate ook financieel, hun eigen boontjes ke doppen; de rijksoverheid trok zich grotendeels terug van het toneel, waar het al decennia lang de hoofdrol speelde.

Massage

De invoering van dit beleid ging snel, zeer snel. De ambtenaren van het ministerie van VROM scheidden met grote regelmaat de voor de verzelfstandiging van de corporaties noodzakelijke regelgeving af, die vervolgens door Heerma zonder al te veel moeite door het parlement werden geloodst.

Keer op keer trof Heerma een gewillige en meegaande meerderheid in de Tweede Kamer tegenover zich. Als het er in de schriftelijke voorbereiding al kritisch aan toe ging, dan werd de pijn nog voor het mondelinge debat in Lubberiaanse bilateraaltjes vakkundig weggemasseerd.

En als er vanuit de oppositie al wat tegen het gevoerde beleid werd ingebracht, dan werd een dergelijke discussie rigoureus door de combinatie CDA-PvdA de nek omgedraaid.

De enige hindernis die moest worden genomen betrof het sterk toenemende woningtekort, als gevolg van een sterk groeiende woningbehoefte. Maar Heerma nam die vrij eenvoudig, door vooral te verwijzen naar het zelfoplossend vermogen van de sector. Bovendien had hij alle geluk van de wereld toen gaande het jaar 1993 en begin 1994 de rente sterk daalde, en er dus meer geld beschikbaar kwam voor de sociale woningbouw. De argumenten bleken voor de Kamer steekhoudend.

En zo kwam er zonder al teveel ophef het Besluit Woninggebonden Subsidies (BWS), dat op 1 januari 1992 werd ingevoerd ter vervanging van acht subsidieregelingen, maar inmiddels, met de versie van 1 januari 1995, heeft geresulteerd in een drastische, volgens sommigen zelfs dramatische beperking van het subsidiebudget voor de sociale woningbouw.

En VROM presenteerde het Besluit Beheer Sociale Huursector, waarmee het toezicht op de corporaties in handen werd gegeven van de gemeenten, en waarmee de corporaties zelf in hoge mate de vrijheid kregen om te doen wat zij goed achtten voor de volkshuisvesting. Reden voor velen om de grenzen van dit ‘sociale ondernemerschap’ te verkennen, en voor sommigen om die grenzen te overschrijden. Een mooi voorbeeld van die te categorie vormden de corporaties, die miljoenenverliezen leden op de optiebeurs. En volgens huidig staatssecretaris Tommel gaan ook corporaties die zich bedienen van btw-constructies een stap te ver.

In oktober 1993 werd het zogeheten ‘akkoord van Heemskerk’ over de bruteringsoperatie gesloten tussen rijk, Nationale Woningraad, het NCIV, en de Vereniging Nederlandse Gemeenten/het Platform Gemeentelijke Woningbedrijven.

Steun

Volgens de meest recente inzichten (januari 1995) wordt in het kader van deze operatie door het rijk in totaal f. 32,695 miljard aan toekomstige subsidieverplichtingen afgekocht, en lossen corporaties f. 24,824 miljard aan nog uitstaande rijksleningen af. Daarnaast wordt nog eens een bedrag van f. 1,848 miljard gestoken in steun voor corporaties die na brutering in geldproblemen komen.

Deze operatie moet het sluitstuk vormen van de financiele verzelfstandiging van de volkshuisvesting. De corporaties krijgen in een keer het geld waar ze nog recht op hebben, en moeten zich vervolgens zelf zien te redden. Op deze wijze wordt bovendien met een pennestreek een einde gemaakt aan de enorme administratieve rompslomp, die al die oude subsidieregelingen en rijksleningen met zich meebrachten.

Een probleem dat daarbij om de hoek komt kijken is dat de brutering nu al inzichtelijk en voelbaar maakt wat de problemen in de toekomst zouden zijn geweest. En dat blijken er nogal wat te zijn, getuige het grote aantal corporaties dat wijst op de wel erg slechte financiele situatie waar men na brutering in verzeild zal raken, en de mogelijke consequenties die dit kan hebben op de investeringen in nieuwbouw en onderhoud van het bestaande woningbezit.

Problemen

Hoe dit ook zij, Tommel is er veel aan gelegen het beleid van zijn illustere voorganger voort te zetten, niet in de laatste plaats omdat er voor het ministerie en de begroting van VROM grote winst valt te behalen.

Maar de staatssecretaris ziet zich daarbij wel voor meer problemen geplaatst dan Heerma ooit heeft ondervonden. Dat zit hem onder meer in de voortdurende vertraging en ophef rond de Vinex-uitvoeringscontracten, de stijgende rente en de gevolgen daarvan voor de woningbouw, en de voortdurend om reacties vragende inventiviteit van corporaties.

Maar als het gaat om de stelselvoorziening, zit het grootste probleem vooral in de zeer kritische opstelling van de Tweede Kamer, die onder aanvoering van PvdA-woordvoerder Duivesteijn, ex-voorman van de huurdersorganisatie De Nederlandse Woonbond, opeens grote vraagtekens zet bij de wijze waarop in het verleden de dingen zijn geregeld.

Dat bleek in een algemeen overleg en een plenair debat over het huurprijzenbeleid, het bleek opnieuw in het wetgevend overleg begin deze week over de bruteringsoperatie, en het werd wel heel erg concreet toen afgelopen woensdag een bijna Kamerbrede meerderheid achter de motie van de PvdA over de maximale huurstijging ging staan, terwijl men zich terdege bewust was van de mogelijk negatieve consequenties voor de bruteringsoperatie.

Bezwaren

De bezwaren die tegen de nieuwe ordening worden geopperd zijn uiteenlopend, maar tonen duidelijk aan dat het vertrouwen in de handel en wandel van corporaties, tot voor kort bij de volkshuisvestingsspecialisten in de Tweede Kamer nog ruimschoots aanwezig, inmiddels grotendeels verdwenen is.

Aan die veranderde houding zullen de incidenten van de laatste tijd rond de wat al te vrijmoedig handelende corporaties zeker debet zijn geweest.

Maar ook de houding van de landelijke centrales van woningcorporaties NWR en NCIV, die vrijwel iedere gelegenheid aangrijpen om te pleiten voor herinvoering van objectsubsidies, blijkt tot de nodige irritatie en aardig wat wantrouwen onder Kamerleden te hebben geleid.

En niet in de laatste plaats speelt mee dat er nu veel andere mensen met andere politieke en maatschappelijke achtergronden en dus ook andere visies in de Vaste Kamercommissie voor VROM hebben zitting genomen.

Klok

Al deze factoren en de daaruit voortvloeiende vertrouwenscrisis zijn er de oorzaak van dat de neiging is ontstaan de klok weer terug te zetten. Men ziet nog wel de voordelen van de nieuwe ordening en is ook nog wel bereid zijn steun eraan te geven.

Maar daar waar de ‘oude’ Kamer genoegen nam met inspanningsverplichtingen en het tonen van goede wil, wil de ‘nieuwe’ Kamer keiharde garanties en formeel vastgelegde prestatie-eisen. Dan gaat het bijvoorbeeld om de huurontwikkeling en de relatie huurder-verhuurder, maar ook om de solidariteit tussen arme en rijke corporaties, de inzet van bovenmatige bedrijfsreserves en de omgang met het maatschappelijke kapitaal.

En waar feitelijk niets meer te eisen valt, overweegt men reparatie of, anders gezegd, aanscherping van de nog niet eens zolang geleden ingevoerde wet- en regelgeving op het terrein van de volkshuisvesting. Dan gaat het bijvoorbeeld om aanscherping van het toezicht en beperking van het relatief vrije ondernemerschap.

Kortom: centralisatie en regulering zijn weer aan de orde waar voorheen decentralisatie en deregulering het doel vormden. Tommel zegt hierover desgevraagd: “Je krijgt een beetje de indruk dat sommige mensen zijn geschrokken van de moed die de vorige Kamer heeft getoond.”

Goede afloop

Het is niet waarschijnlijk dat het vertrouwen in de corporaties zo geslonken is dat de bruteringsoperatie wordt afgeblazen. Een duidelijke Kamermeerderheid is voor uitvoering; het plenaire debat van aanstaande donderdag zal met name gaan over de vraag hoe de garantie kan worden verkregen dat corporaties goed en verantwoord omgaan met het maatschappelijke kapitaal dat zij beheren.

Voor een goede afloop van de verzelfstandigingsoperatie als zodanig is echter een herstel van het vertrouwen in de corporaties van eminent belang.

De eerste mogelijkheid die zich daarbij voordoet is de gedragscode, die op dit moment door een speciale commissie wordt opgesteld en nog voor de zomer zal worden gepresenteerd.

In deze code moet zeer nauwkeurig worden aangegeven hoe men in de toekomst wil omgaan met zaken als toezicht en interne controle, onderlinge solidariteit, verevening van bovenmatige bedrijfsreserves, het huurprijzenbeleid, de relatie huurder-verhuurders en de omstreden want risicovolle nevenactiviteiten.

Vervolgens moeten de landelijke centrales voor elkaar zien te krijgen dat iedere corporatie de gedragscode niet alleen naleeft, maar ook daadwerkelijk tot de zijne maakt.

Van de kwaliteit van de gedragscode, en de wijze waarop de corporaties zich hieraan verbinden, zal namelijk in belangrijke mate afhangen of de landelijke politiek zijn greep op de volkshuisvesting weer zal verstevigen.

Op het moment dat dat gebeurt, is veel van het werk dat sinds 1989 is verricht, voor niets geweest. En Enneus Heerma zal vast niet de enige zijn, die daar een traantje om gaat laten.

Staatssecretaris Tommel: “Je krijgt een beetje de indruk dat sommige Kamerleden zijn

geschrokken van de moed die de vorige Kamer heeft getoond.”

Michiel Sablerolle

Van de kwaliteit van de gedragscode, en de wijze waarop de corporaties zich hieraan verbinden, zal in belangrijke mate afhangen of de landelijke politiek zijn greep op de volkshuisvesting weer zal verstevigen.

Michiel Sablerolle

Nog niet eens zeven jaar geleden presenteerde de toenmalige staatssecretaris Heerma zijn blauwdruk voor een ingrijpende reorganisatie van de volkshuisvesting.

Staatssecretaris houdt vertrouwen in sector

Maandag jongstleden gaf staatssecretaris Tommel de leden van de Vaste Kamercommissie voor VROM zijn visie op het geheel: “De situatie kan op verschillende manieren benaderd worden. Een manier is het hebben van vertrouwen in corporaties. Ik ben op dit punt enigszins verwijtend toegesproken. Men zag dit vertrouwen synoniem aan een blind vertrouwen, alsof ik vind dat er geen toezicht nodig zou zijn. Daar is geen sprake van. Anderzijds beluister ik wel eens dat men de neiging heeft om te vinden dat de corporatie per definitie niet deugt, en er met het geld van het flankerend beleid vandoor zal gaan zonder er iets voor terug te doen, dat men in het vervolg alleen maar bankiersactiviteiten zal uitoefenen met die vele miljarden, dat men zich niet zo druk maakt om de huisvesting van de doelgroep en dat men zich liever bezig houdt met projectontwikkeling.”

Volgens de staatssecretaris wordt daarmee de sector tekort gedaan: “Ik denk dat er bij de corporaties, zowel bij diegenen die er werken als bij de besturen veel mensen zijn die het doel van huisvesting voor de doelgroep, de sociale kant van de zaak, bovenin de mast hebben hangen, en daar komt dan niets meer onder. Als ik nu zo hoor hoe hierover wordt gesproken, dan wordt dat idealisme waar veel mensen veel tijd en kracht voor inzetten, blijkbaar ondergewaardeerd. Dat mag best, maar ik constateer enerzijds dat er geen sprake is van een blind vertrouwen, omdat de nadruk ligt op de regels die er ook in de toezichthoudende sfeer moeten zijn, en anderzijds dat er best enig vertrouwen mag zijn dat de sociale doelstelling door de corporaties nog steeds serieus wordt genomen. Ik neem die doelstelling in ieder geval wel serieus.”

Reageer op dit artikel