nieuws

Vloeistofdichte vloer verplicht

bouwbreed Premium

De burgers van ons land die elkaar schade toebrengen moeten die vergoeden. Maar ook de overheid is daartoe verplicht. Nu kan die schade ook worden toegebracht door een rechtmatige beleidsdaad van de overheid. Denk maar aan de ontneming van iemands eigendom door onteigening of de afsluiting van een winkelstraat voor het vernieuwen van de riolering. Voor zulke schade is zij niet altijd aansprakelijk want wij hebben allemaal een zeker maatschappelijk risico te dragen voor de gevolgen van het feit dat we lid zijn van een gemeenschap.

Boven die grens van het normaal maatschappelijk risico is de schade, die de burgers ondervinden van het rechtmatig optreden van de overheid in beginsel wel voor vergoeding vatbaar. Het overheidsbeleid, waardoor de meeste inbreuken op de belangen van de burgers plaatsvinden, ligt op het terrein van de ruimtelijke ordening. Zij varieren van de volledige ontneming van de eigendom tot beperkingen van de bestemming van de grond en het gebruik van het daarop gebouwde.

De wet regelt in welke gevallen de daardoor ontstane schade vergoed kan worden. Art. 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geeft zeven gevallen aan waarin de schade, die redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de schadelijdende dient te blijven, vergoed wordt. Als gevolg van deze weinig exacte omschrijving is er vanzelfsprekend een stroom van jurisprudentie losgekomen over de vraag wanneer de redelijkheid tot een vergoedingsplicht van de betreffende gemeente leidt.

Sinds een aantal jaren kan de overheid echter ook op een ander beleidsterrein dan de ruimtelijke ordening maatregelen nemen die tot nadeel van de burger leiden. Precies, de bescherming van het milieu kan het nodig maken, dat verplichtingen worden opgelegd aan de burgers. In zulke gevallen geldt hetzelfde beginsel als bij de ruimtelijke ordening: alleen die schade en kosten, die redelijkerwijze niet ten laste van de schadelijdende behoren te blijven, komen voor vergoeding in aanmerking.

De – inmiddels op 1 maart 1993 door de Wet Milieubeheer vervangen – Wet algemene bepalingen Milieuhygiene noemde een zevental wetten, op grond waarvan schadeveroorzakende milieumaatregelen ke worden genomen, die in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen.

Een van die zeven is de Hinderwet. Deze wet speelde een rol in het beroep dat de eigenaar van het Oosterhoutse bedrijf, waarin gebruikte olievaten worden gereconditioneerd, instelde tegen de gemeente. Die had zijn verzoek om vergoeding van de kosten, die hij te dragen kreeg tengevolge van een toevoeging aan zijn Hinderwetvergunning, afgewezen. Die toevoeging hield in, dat het opslagterrein waarop de nog niet gereconditioneerde vaten stonden, moest worden voorzien van een vloeistofdichte bodemafdekking.

De gemeente vond, dat hier geen sprake was van bovennormale voorzieningen of bovennormale kosten, maar het vatenbedrijf vond, dat dit niet de norm kon zijn waarop zijn verzoek om vergoeding moest worden beoordeeld. De Wet Milieubeheer, die toen nog van kracht was, bepaalde immers dat de gemeente moest bezien of hier sprake was van kosten, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoorden te blijven.

Daar kwam nog iets bij; het overleg met de gemeente over zijn verzoek had geleid tot de conclusie, dat hij een gedeelte van de gemaakte kosten vergoed zou krijgen. Dit leidde tot twee ontwerpbeschikkingen van de gemeente, maar die werden niet omgezet in een definitieve beschikking van die strekking. Daarin werd, aan de hand van een veranderde schadeberekening, het verzoek afgewezen.

De reden voor die ommezwaai kon wel eens gelegen zijn in het feit, dat de gemeente de kosten van zo’n schadevergoeding moet dragen als de minister van VROM niet instemt met de toekenning ervan. Omdat de provincie had laten weten dat zij alleen akkoord ging met een definitieve beslissing tot toekenning als de minister daar ook mee instemde en de gemeente wist dat die zulks niet van plan was, zou de gemeente die schadevergoeding helemaal zelf moeten betalen.

De afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State, die het beroep tegen deze gemeentelijke beslissing behandelde, zei hierover, dat een gemeente haar eigen beleid niet afhankelijk mag laten zijn van de opvattingen van provincie of Rijk. Gemeenten hebben immers bij de wet een eigen beslissingsbevoegdheid op dit punt gekregen. Het van de instemming door de minister afhankelijk stellen van een beschikking tot toekenning van schadevergoeding was dan ook niet terecht geschied, aldus de afdeling. Als die minister niet akkoord gaat met een toekenning van schadevergoeding bevat de wet bovendien nog een voorziening: de gemeente kan aan de Kroon verzoeken de kosten toch nog geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk te laten komen.

Maar de hamvraag was natuurlijk of de kosten van het vloeistofdicht maken van het opslagterrein ‘onevenredig’ waren. Door de minister van VROM was dit begrip al in 1982 nader ingevuld: er is pas sprake van onevenredigheid als de lasten voor het bedrijf in vergelijking met andere soortgelijke bedrijven zo hoog worden dat de concurrentieverhoudingen ernstig worden verstoord.

De gemeente Oosterhout had weliswaar in zijn definitieve beschikking, waarbij het verzoek werd afgewezen, overwogen dat een vloeistofdichte afdekking van het terrein niet meer als bovennormaal kan worden beschouwd, maar zij had daarbij niets gezegd over de bijzondere omstandigheid die door het vatenbedrijf was aangevoerd. Dat had er namelijk op gewezen, dat aan dit soort bedrijven nog nooit zo’n verplichting was opgelegd. Dat zou dus betekenen, dat dit bedrijf in een nadeliger concurrentiepositie was gebracht. Zo’n situatie is nu net de norm van de minister van VROM om wel tot een kostenvergoeding te besluiten.

Een en ander was voor de rechter voldoende aanleiding om de afwijzende beschikking van de gemeente te vernietigen. Die zal dus een nieuwe moeten maken, want er dient natuurlijk wel een beslissing op het verzoek van het vatenbedrijf te komen. Daarbij is met name de vraag van belang of de door de gemeente opgelegde verplichting leidt tot ernstige concurrentieverstoring met andere soortgelijke bedrijven.

(BR 1994 p. 1027)

Reageer op dit artikel