nieuws

‘Energieprestatienorm is niet zo ingewikkeld’

bouwbreed

Er doen de wildste verhalen de ronde over de gevolgen van de invoering van de energieprestatienormen op 1 oktober 1995. Ontwerpers zouden er handenvol werk bij krijgen om te berekenen of hun ontwerp voldoet aan de nieuwe eisen. “Toch valt het reuze mee”, zegt ir. G. Meerdink. Hij is directeur van ingenieursbureau DGMR en voorzitter van een van de normcommissies die de normen hebben samengesteld. Na 1 april is er een rekenprogramma beschikbaar, waardoor een EP-berekening volgens Meerdink vergelijkbaar wordt met een uitgebreide It-berekening. Toch is het blijkbaar niet zo simpel, want er worden op diverse plaatsen voorlichtingsbijeenkomsten gehouden, gevolgd door complete cursussen over het werken met nieuwe normen.

Het is volgens Meerdink vooral de onbekendheid met de norm die heeft geleid tot een schrikreactie in de bouwwereld. “De onrust is ontstaan doordat iedereen eerst de volledige norm onder ogen heeft gekregen, terwijl het rekenprogramma en de uitgewerkte voorbeelden nog niet beschikbaar zijn. In de praktijk hebben de meeste opdrachtgevers, ontwerpers en installateurs alleen te maken met het rekenprogramma; de achterliggende formules die in de normen zelf zijn opgenomen, zijn er voor de fijnproevers.”

Het doel van de energieprestatienormering is een vermindering van het energieverbruik in gebouwen met 15 procent ten opzichte van het Bouwbesluit-niveau. Na 1 oktober worden alleen nog bouwvergunningen verleend voor gebouwen die voldoen aan een bepaalde energieprestatie.

De energieprestatie wordt uitgedrukt in de energieprestatiecoefficient (EP), het quotient van het berekende energieverbruik en een genormeerd energiebudget. De maximale waarden van de EP wordt eind volgende maand vastgesteld; een voor woningen en woongebouwen en een voor elk type utiliteitsgebouw (kantoren, scholen, gezondheidszorggebouwen, horecagelegenheden, winkels, logiesgebouwen, gevangenissen, stations, bijeenkomst- en sportgebouwen).

De bepalingsmethode voor de energieprestatie zijn vastgelegd in twee normen, NEN 5128 voor woningen en woongebouwen en NEN 2916 voor utiliteitsgebouwen.

Samenwerken

Het belangrijkste verschil met de huidige gang van zaken is in de ogen van Meerdink, dat de partners in het bouwproces voortaan al in een vroeg stadium moeten samenwerken. De installateur zal bijvoorbeeld veel eerder moeten worden ingeschakeld. En zijn inbreng zal intensiever zijn dan voorheen. Want de energieprestatie-eisen betreffen het ontwerp als geheel, dus gebouw en installaties.

“Alle partijen moeten nu al in het begin om de tafel gaan zitten en dat is in de bouw niet gebruikelijk. Maar het is wel reeel. Van de bouw mag best een extra inspanning worden gevraagd om een aandeel te leveren in de energiebesparing.

Alle participanten in het bouwproces hebben zich tot nu toe geconcentreerd op de Bouwbesluit-eisen voor de isolatie van de gebouwschil en de ventilatie. Aan het totale energieverbruik is weinig aandacht besteed. Het huidige Bouwbesluit zegt ook weinig over de installaties. Deze voor veel bouwers onbekende materie komt er nu bij. Daardoor komt het geheel nog wat onwennig over”, aldus Meerdink.

Prominenter

De installateur zal volgens Meerdink in de toekomst een veel prominentere rol gaan spelen, want relatief ke de installaties een veel grotere bijdrage leveren aan de energiebesparing dan het gebouw zelf.

“Het verhogen van de isolatiedikte naar 15 of 20 centimeter levert relatief weinig op, terwijl de mogelijkheden aan de installatiekant nog niet optimaal worden benut.” Meerdink denkt daarbij aan HR-ketels, zonneboilers, passieve zonne-energie, warmteterugwinning e.d.

Daarbij gaat het om een zodanige combinatie van maatregelen dat zij samen ervoor zorgen dat het gebouw aan de norm voldoet.

In de woningbouw zal dat relatief eenvoudig zijn te realiseren. In veel gevallen zal met het installeren van het hoogrendementsketel al aan de normen worden voldaan. Voor de utiliteitsbouw liggen de zaken echter wat ingewikkelder. Maar met behulp van het gebruikersvriendelijk rekenprogramma dat binnenkort beschikbaar is, denkt Meerdink dat ook in de utiliteitsbouw de problemen in de praktijk wel zullen meevallen. Bovendien is het in grote utiliteitspoen nu al gebruikelijk dat het ontwerpteam in de beginfase praat over het energieverbruik.

Meerdink verwacht dat ontwerpers die vertrouwd zijn met energiezuinig bouwen en belangstelling hebben voor automatisering weinig moeite zullen hebben met het nieuwe rekenprogramma’s van het Nederlands Normalisatie Instituut die al ke draaien op een eenvoudige computer.

Effecten

Ir. A.M.S. Weersink van DGMR werkt voorbeelden van EP-berekeningen uit. Zij heeft ook een vergelijking gemaakt van de effecten die de verschillende maatregelen hebben op de EP. Voor de ontwerper is dat belangrijk, want het is aan hem of haar om de meest efficiente of rendabele combinatie van energiebesparende maatregelen te kiezen om uiteindelijk de totale energieprestatie te halen.

Weersink verwacht dat in de praktijk zal worden gekozen voor die maatregelen die het grootste effect hebben. Zo zal de orientatie van de gevels veel belangrijker worden dan vroeger en zullen meer HR-ketels, zonneboilers en HR-glas worden toegepast. Dat zijn namelijk maatregelen waarmee relatief eenvoudig aan de gestelde eisen kan worden voldaan.

Daarentegen breken voor vides of geisers slechte tijden aan. Niet dat ze niet meer toegepast mogen worden, maar ze hebben een zeer ongunstige invloed op de energieprestatiecoefficient en zullen door andere energiebesparende voorzieningen moeten worden gecompenseerd.

Ook Weersink denkt dat de berekening van de energieprestatiecoefficient erg meevalt als het rekenprogramma eenmaal beschikbaar is.

Bouwkosten

“Met de huidige It-berekening is eigenlijk al meer dan de helft van het werk gedaan. Alleen de gegevens van de installaties moeten daar nog aan worden toegevoegd. Het grootste probleem is de onderverdeling in verwarmde en onverwarmde zones, maar als je daar een beetje slim mee omgaat hoeft dat ook geen probleem te zijn.”

Overigens is het uitgangspunt bij de opstelling van de normen geweest dat de invoering kosten-neutraal moest werken. Uit praktijkexperimenten en kosten-effectstudies is gebleken dat bij een goede keuze van de energiebesparende maatregelen ongeveer een procent extra bouwkosten moeten worden gemaakt om te voldoen aan de eisen. De extra investeringen worden echter binnen tien jaar terugverdiend doordat het energieverbruik daalt.

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uit Delft houdt tot half mei een aantal introductiebijeenkomsten over het werken met de energieprestatienormen. Nadat de energieprestatiecoefficienten definitief zijn vastgesteld (rond 1 april 1995) start het NNI bovendien een praktijkgerichte cursus Energieprestatie.

De effecten van diverse energiebesparende maatregelen op de hoogte van de energieprestatiecoefficient van een woning. Basis is een woning met een Rc-waarde van 2,5 m2K/W die is voorzien van normaal dubbelglas, een HR-combiketel, mechanische afzuiging en houten kozijnen.

Reageer op dit artikel