nieuws

Convenant bouw en arbeidsvoorziening nauwelijks bekend Arbeidsmarktbeleid leeft niet onder werkgevers

bouwbreed Premium

Individuele werkgevers in de bouw zijn nauwelijks op de hoogte van het feit dat werkgeversorganisaties en bonden al vijf jaar lang een convenant hebben met Arbeidsvoorziening om de bouw-arbeidsmarkt inzichtelijker en beheersbaarder te maken. Van de verplichte vacaturemelding komt dan ook niks terecht. Slechts een klein deel van de werkgevers weet van het bestaan van het Arbeidsbestand Bouwnijverheid.

Dat zijn enkele conclusies uit de evaluatie van het landelijk convenant sectorale arbeidsvoorziening bouwnijverheid, dat in 1989 werd gesloten. De evaluatie is uitgevoerd door het Economisch Instituut voor het Midden- en kleinbedrijf (EIM) in opdracht van het Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening en de stichting Bouw-Vak-Werk.

Sinds 1989 is de door partijen in de bouw opgerichte stichting Bouw-Vak-Werk samen met de Arbeidsvoorziening bezig een speciaal op de bedrijfstak gericht beleid op te zetten en uit te voeren. Een en ander was vooral het gevolg van de in de jaren tachtig ontstane onduidelijkheid over het werkloosheidscijfer in de bouw. Algemeen werd aangenomen dat het om tienduizenden werklozen ging. Bouw-Vak-Werk kwam er echter al snel achter dat de bestanden van de arbeidsbureaus behoorlijk waren vervuild en dat er veel minder ‘bouw’-werklozen bleken te zijn dan aanvankelijk was verondersteld.

CAB’s

Om aan deze onduidelijkheid voorgoed een einde te maken werden er Commissies Arbeidsmarkt Bouwnijverheid (CAB’s) gevormd. Deze commissies selecteren de kandidaten voor het Arbeidsbestand Bouwnijverheid. Werklozen die in dit bestand zitten zijn gekwalificeerd voor de bouw, hebben reeds in de branche gewerkt en krijgen voorrang bij bemiddeling.

Voor het goed functioneren van de bestand is het zaak dat werkgevers hun vacatures melden. In de praktijk blijkt het ABB echter totaal niet te leven onder werkgevers, waardoor de arbeidsbureaus ook geneigd zijn dit bestand met een korreltje zout te nemen. Volgens het onderzoek is van de bedoeling om van het ABB een keurmerk voor de kwaliteit en vakbekwaamheid van werkzoekenden dan ook weinig terecht gekomen.

Bedrijfsbezoek

Er zijn ook positieve resultaten geboekt. Zo is de (personele) inzet op de arbeidsbureaus ten behoeve van de bouwnijverheid in de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. De regionale besturen van Bouw-Vak-Werk zijn tevreden over de samenwerking met de Regionale Besturen Arbeidsvoorziening (RBA’s), zij het dat de kwaliteit van de samenwerking per RBA wisselt.

Verder blijkt uit het onderzoek dat het aantal bedrijfsbezoek (van de arbeidsbureaus) te wensen overlaat. Grotere bedrijven (meer dan 20 werknemers) krijgen slechts eenmaal per drie tot vier jaar een consulent van het arbeidsbureau op bezoek. Kleinere bedrijven zien de consulent nog minder vaak.

Volgend de RBA’s zijn hier verschillende redenen voor. De belangrijkste is de klassieke ‘kip-ei’-redenering: als bouwbedrijven zich niet houden aan de verplichting om vacatures bij het arbeidsbureau te melden, hoeven consulenten zich dus niet aan hun verplichting te houden om bedrijfsbezoeken af te leggen. Daarnaast zeggen de arbeidsbureaus gebrek aan personele capaciteit en tijd te hebben.

Nieuw convenant

Het convenant tussen Arbeidsvoorziening en Bouw is overigens hernieuwd, voor opnieuw een periode van vijf jaar. Het verschil tussen de oude en de nieuwe overeenkomst is, aldus directeur C. van Vliet van Bouw-Vak-Werk, dat de samenwerking op regionaal niveau nu wordt gebaseerd op een veel globalere landelijke afspraak.

“In het in 1989 gesloten convenant werden de activiteiten van de verschillende organisaties op bijna bureaucratische wijze vastgelegd via gedetailleerde regelgeving. In het nieuwe convenant is meer ruimte voor een regionale invulling van het beleid.”

Reageer op dit artikel