nieuws

De veelzijdigheid van kunstlicht

bouwbreed Premium

Onze verlichting bevindt zich nog in een primitieve fase. Circa 120 jaar na Edisons uitvinding heeft het verschijnsel kunstlicht nog altijd niet zijn volledige expressie gekregen. De Rotterdamse Kunsthal zet ‘De Verlichting, Verleden, heden en toekomst van de elektrische verlichting en haar invloed op mens en woonomgeving’ in de schijnwerpers. Kunstlicht is meer dan een lamp, het is een ervaring die je moet ondergaan.

Licht maakt ruimte zichtbaar. Het is daarom niet verwonderlijk dat menig gerenommeerde architect zich ook met de vormgeving van het omhulsel bezighield. Sommigen grepen terug naar het verre verleden en lieten zich inspireren door de uit de Middeleeuwen daterende kroonluchter, die na zijn populariteit halverwege de 19de eeuw momenteel zijn come-back maakt.

Adolf Loos ontwierp rond de eeuwwisseling een lichtkroon ontdaan van alle tierelantijnen; zes peren hangend onder een cirkel. Ook Willem Kromhout en H.P. Berlage kwamen destijds met een eigen versie van het voormalige statussymbool. Ontwerpers als Borek Sipek en Rob Eckhardt stopten het fenomeen recent in een nieuw jasje. Rody Graumans bundelde zijn krachten vorig jaar maar liefst in een 85 lamps-exemplaar.

Licht als bekroning van de woning is een van de thema’s die in ‘De Verlichting, Verleden, heden en toekomst van de elektrische verlichting en haar invloed op mens en woonomgeving’ is terug te vinden. De tentoonstelling is het gevolg van de kunsthistorische studie ‘Struck by Lighting’ onder leiding van Andre Koch. In het Engelstalige boek worden de technologische en vormgevingsontwikkelingen van onze elektrische woonhuisverlichting bondig beschreven, met de nadruk op de Nederlandse inbreng.

Dat toenadering op deze gebieden tot vruchtbare resultaten kan leiden, blijkt onder andere uit de in Leerdam vervaardigde Ornstein hanglamp (1931), waarbij A.D. Copier het glaswerk voor zijn rekening nam. “Een lamp zodanig ontworpen dat een goede algemeene verlichting bereikt wordt, terwijl tevens het licht aangenaam geconcentreerd op het werkvlak valt. En die bovendien een groote besparing geeft. In zekeren zin een wonderlamp dus”, aldus de advertentietekst.

“Hoe krijg ik het juiste licht op de juiste plaats?” was de vraag die ook toen al de gemoederen bezighield. Gezellige verlichting bleef lange tijd prevaleren boven functionaliteit. De Nederlandse interieurarchitect Paul Bromberg beklaagde zich in 1933: “We zien de verlichting van de kamers te veel als een zaak van min of meer aardige lampekappen.”

Goede (heldere, niet te schelle) verlichting is lange tijd meer uitzondering dan regel. Gerrit Hietbrink, auteur van ‘Het licht in ons huis’ dat in die tijd verscheen, wees een beschuldigende vinger naar architecten die meer oog hadden voor het sfeerverhogende dan voor het functionele aspect. Die ene lichtaansluiting boven de tafel was bij lange na niet voldoende om alle gezinsleden bij te schijnen. Een succesvolle integratie van licht en architectuur was toen ook al onderwerp van gesprek.

De hanglamp zou overigens geleidelijk aan het plafond bereiken. Na de oorlog wordt de markt overspoeld door verstelbare/verplaatsbare, functionele sta- en bureaulampen, om de verlichting dichter bij de gebruiker(s) te krijgen. Voor deze na-oorlogse machinaal vervaardigde, vaak fraai vormgegeven armaturen, moet tegenwoordig grof geld worden neergelegd.

In Nederland gold Willem Gispen als de personificatie van het functionalisme op verlichtingsgebied. Een van de vele geesteskinderen van de ontwerper/fabrikant was een pianolamp (1927) die hij in samenwerking met J.J.P. Oud ontwierp. Naast de vormgeving was hij ook geinteresseerd in de psychologische aspecten. Goede verlichting zou onder andere leiden tot een hogere arbeidsproduktiviteit, zo stelde hij.

Onze verlichting is in de loop der jaren niet alleen mobieler maar ook persoonlijker geworden; het biedt ruimte aan emotionele en individuele behoeften. Verlichting is er niet uitsluitend om beter te zien, maar mag ook gezien worden. De lichtslang Boalum (1969, Livio Castiglioni/Gianfranco Frattini) of de melkflessen-hanglamp (1993, Tejo Remy) zijn uitwerkingen van deze zienswijze; lichtsculpturen doen hun intrede.

Geinteresseerden in het vormgevingsaspect van onze verlichting ke volstaan met het boek. Zij die kunstlicht willen ervaren, moeten hun gang naar de Kunsthal maken. In een vijftal paviljoens kan de bezoeker de vele kwalitatieve mogelijkheden van kunstlicht aan den lijve ondervinden.

Lichteffecten ke onze ruimtelijke indrukken dusdanig manipuleren dat vorm, afmetingen, hoogte en kleur anders worden ervaren. Verschillen in helderheid van oppervlakten blijken een ruimte te maken of te breken. Kunstlicht kan, net als daglicht dynamisch zijn, wat geillustreerd wordt aan de hand van een lichtgordijn waarmee driedimensionaliteit wordt gesuggereerd. De bezoeker ondergaat, het licht doet het werk. Producenten reppen over de ongekende mogelijkheden die kunstlicht biedt. De consument raakt er langzaamaan van doordrongen dat het woongenot ermee aanzienlijk kan worden verhoogd.

‘De Verlichting, Verleden, heden en toekomst van de elektrische verlichting en haar invloed op mens en woonomgeving’ t/m 29 januari in de Rotterdamse Kunsthal, Westzeedijk 341. Geopend: di t/m za: 10.00-17.00 uur. Zondag: 11.00-17.00 uur.

De catalogus ‘Struck by Lighting’ door dr. A.M. Koch (Uitgeverij De Hef) kost – 89.

ISBN 90 6906 016 7

Reageer op dit artikel