nieuws

Behoud industriele Zaanwand in Wormer

bouwbreed Premium

Langs de Veerdijk in Wormer staat een uniek complex aaneengesloten rijstpellerijen met bijbehorende pakhuizen, die tussen 1894 en 1907 zijn gebouwd, met gevels van baksteen. Een silo uit 1912 en een aansluitende rijstpellerij uit 1922 zijn gebouwd in beton. De pellerij is voor ons land een uniek voorbeeld van art deco-architectuur dat al geruime tijd op restauratie wacht.

De aaneengesloten Zaanwand is een interessant voorbeeld van industriele monumenten die de snelle ontwikkelingen in de bouwtechniek vooral binnen de gebouwen laten zien.

Het traditionele skelet van hout maakte plaats voor mengvormen met kolommen van gietijzer, onderslagbalken van profielijzer en nog later een betonskelet. De gevels bleven lang traditioneel opgetrokken in baksteen, aanvankelijk met forse kappen, later met platte daken.

Voor de laatste pellerij uit 1922 heeft het betonskelet een paddestoelvloer, maar de gevels bestaan uit vullingen van metselwerk met pleisterwerk en stalen ramen.

Twee complexen

Aan de Veerdijk liggen twee industriele complexen, gescheiden door de Nieuwe Weg in het verlengde van de Zaanbrug. Tot sloop in 1979 sloot een derde groep gebouwen ‘De Unie’ in een bocht van de Zaan op beide complexen aan.

Deze sloop noemt Ed Schulte in ‘Herbestemming industrieel erfgoed in Nederland’ als waarschijnlijk keerpunt in de waardering voor deze industrieel archeologische monumenten.

Ten westen van de Zaanbrug liggen naast elkaar de gebouwen Java uit 1907, Hollandia uit 1877 dat later sterk is vergroot, Bassein uit 1898, Saigon uit 1898 en Batavia uit 1894.

Nadat de rijstproduktie in de eerste wereldoorlog terugliep, ging het omstreeks 1950 verder bergafwaarts; de gebouwen verloren hun functie. Met kleinschalig hergebruik is het complex verkaveld in uiteenlopende bedrijfsruimten en enkele woningen.

Ten oosten van de brug ligt het andere complex met een (kleine) silo uit 1907, de pakhuizen Donau uit 1895 en Koningsbergen uit 1894 met daarnaast de pellerij Mercurius/Lucullus uit 1922. Boven deze bebouwing verrijst de 36,5 m hoge Lassie-silo van beton uit 1912. Omdat de 27 silobunkers hierin bij nieuwbouw elders tien miljoen zou kosten, besloot de gebruiker niet te verhuizen naar nieuwbouw.

Bouwtechniek

De gevels van de oude gebouwen staan op de lijst van provinciale monumenten en werden met subsidie gerestaureerd. Evenals aan de andere zijde van de Zaanbrug treft men ook hier specifieke in tijd elkaar opvolgende vormen van skeletbouw aan. In de oudste gebouwen komen houten skeletten van Amerikaans grenen voor, en daarnaast kolommen als standvinken met onderslagbalken van profielijzer met houten balklagen en vloeren.

In het er naast staande pakhuis Koningsbergen zijn gietijzeren kolommen toegepast, die na een interne renovatie een markant beeld van de stapelconstructie met kolommen, onderslagbalken en houten vloer laten zien.

Met de modernisering van de bewerking van rijst is steeds minder nuttig vloeroppervlak nodig, zodat de machines ruim staan opgesteld in wit geschilderde verdiepingen.

Hoogtepunt in verval

De in 1922 gereedgekomen pellerij Mercurius was in zijn tijd heel modern van opzet. De toegepaste paddestoelvloer is in 1906 in de Verenigde Staten ontwikkeld. De bekisting voor de vloer was eenvoudig, het ontbreken van balken voorkwam hoogteverlies en bevordert vrije lichtinval. De kolomkoppen hebben in Mercurius geringe hoogte. De gebouwschil is ernstig aangetast door achterstallig onderhoud van het sedert 1989 leegstaande gebouw. De expressieve art deco-motieven zijn in ons land tamelijk uniek en bestaan deels uit pleisterwerk. De stalen ramen zijn verrot en deuren met laadbalkons zijn verdwenen. Het ontwerp van architect Mart Stam – niet de bekende naamgenoot – werd door zijn vader als aannemer uitgevoerd.

In 1985 werd Mercurius als monument door de provincie beschermd. De eigenaar vroeg bij de Raad van State ontheffing waarna de bescherming verviel; sloop werd door een actieve stichting Pal tegen verval’ voorkomen omdat er geen directe aanleiding toe was. De eigenaar wilde het gebouw kwijt om de grond vrij te hebben voor mogelijke latere activiteiten. In 1993 verbood de Raad van State sloop omdat bedrijfsvoering dat niet nodig maakte; onderzoek van beide TU’s onder leiding van Ed. Schulte toonde aan dat hergebruik mogelijk was.

Na voorgenomen hergebruik als museumdepots heeft de provincie vorig jaar hergebruik als archeologisch depot voorgesteld. Architect Jan Boot en Ed Schulte concludeerden dat een vrijwel sluitende explotatie haalbaar is. Het kan aanleiding vormen tot restauratie met lichte aanpassingen aan de nieuwe functie als schoolvoorbeeld van goed hergebruik.

Laatste kans

Het is te mooi om waar te zijn en lijkt de laatste kans om met deze Zaanwand zowel een voorbeeld van belangrijke industriele archeologie als maatschappelijke ontwikkelingen in de tijd levend te houden. Als het haalbaarheidsonderzoek en globale voorontwerp van architect Jan Boot, van Atelier voor bouwkunst en onderzoek, tot restauratie leidt, is een voor ons land uniek voorbeeld van industriele architectuur van de ondergang gered.

Uniciteit

Architectonisch is het een van de weinige voorbeelden van art deco in ons land, terwijl ook de constructie met deze vroege paddestoelvloer in deze vorm uniek is. De bouwtechnische ontwikkeling van een skelet in hout, via deels uitgevoerd in staal naar beton, ziet men zelden in een complex naast elkaar. Deze uniciteit rechtvaardigt de provinciale inspanning om het gebouw te behouden, mogelijkerwijs als onderkomen voor de provinciale archeologische dienst, waardoor relatief geringe ingrepen binnen de gebouwconstructie nodig zijn. De provincie moet hier op korte termijn een besluit over nemen dat de laatste kans lijkt op definitief behoud.

Gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan het nieuwe boek over industriele monumenten dat ruim vijftig poen documenteert aan de hand van rijk geillustreerde beschrijvingen. Twee artikelen hebben betrekking op de Zaanwand in Wormer. Het boek geeft en goed beeld van een veelzijdig hergebruik van de jonge monumenten van pakhuizen tot watertoren en houtloodsen tot fabriekshallen. Peter Nijhof en Ed Schulte: ‘Herbestemming industrieel erfgoed in Nederland’. Uitgave: Walburg Pers, Zutphen 1994. Formaat: 20,5 x 29 cm, 192 blz. ISBN: 90 6011 902 9. Prijs: (ingenaaid) – 49,50.

Situatie met beide complexen industriele monumenten vormen op de foto rechts een Zaanwand; links een uitvergroting van het verst geleden complex.

Reageer op dit artikel