nieuws

Brabant wijst kritiek Bruil op aanbestedingsbeleid af

bouwbreed

De provincie Noord-Brabant weigert de criteria voor het selecteren van aannemers ten behoeve van aanbesteding van wegenbouwpoen aan te passen. Een verzoek daartoe van de Amsterdamse advocaat mr. R. G. T. Bleeker namens Bruil Wegenbouw Ede BV is afgewezen. De kritiek van het bedrijf op het gevoerde aanbestedingenbeleid wordt niet gedeeld.

De provincie bracht onlangs enkele werken op het gebied van de betonwegenbouw op de markt. Daarbij werd gekozen voor openbaar aanbesteden met voorafgaande selectie. Maar volgens Bruil BV werden “uitzonderlijk zware selectiecriteria gehanteerd” die in strijd zouden zijn met het van toepassing verklaarde UAR 1986 en voorts op gespannen voet zouden staan met het provinciale aanbestedingenbeleid.

“Daardoor komen slechts enkele aannemers in Nederland voor deze werken in aanmerking. Van het beleid van de provincie, om werken met een waarde van meer dan – 500.000 openbaar aan te besteden en derhalve meer aannemers in staat te stellen in te schrijven, komt op deze wijze in de praktijk niets terecht. Van concurrentie is nauwelijks sprake”, aldus mr. Bleeker in een brief aan GS.

Bezwaren

De bezwaren richten zich op met name de ervarings- en omzeteisen. Zo werd geeist dat een aannemer in een voorafgaande periode van vier jaar tenminste drie werken in de betonwegenbouwsector moest hebben uitgevoerd met een aannemingssom of gefactureerd bedrag van – 2 miljoen of meer.

Bruil raamt op grond van de aanbestedingsadvertentie de kosten van het uit te voeren werk op minder dan – 2 miljoen: “Er wordt dus ervaring gevraagd met een groter werk dan het aanbestede werk. Dat is in de praktijk ongebruikelijk”.

Mr. Bleeker wijst er voorts op dat vooral het verlangen van ervaring met drie van dergelijke werken de ervaringseis “buitensporig zwaar doet zijn”.

Volgens hem is het in de praktijk niet gebruikelijk dat ervaring met meer dan een werk wordt gevraagd.

Hij is ervan overtuigd dat “toetsing van de gestelde ervaringseis aan het UAR 1986 door de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland zal leiden tot de beslissing dat de provincie op deze eis geen beroep mag doen”.

Kritiek heeft mr. Bleeker ook op de eis dat inschrijvende bedrijven in de laatste drie boekjaren een gemiddelde omzet aan werken in de betonwegenbouw moeten hebben bereikt van tenminste – 6 miljoen: “Gebruikelijk is de omzeteis te relateren aan het gehele gww-bedrijf”.

Combinaties

Volgens hem wijkt het verbod tot inschrijven door combinaties van aannemersbedrijven af van de regeling in het UAR 1986 en betekent dit opnieuw een verzwaring in de selectiecriteria.

Hij wijst er op dat steeds meer werken in de bouw, in het bijzonder in de gww, worden uitgevoerd in combinatieverband: “Een verbod is zeer ongebruikelijk en leidt tot een aanzienlijke beperking van het aantal beschikbare gegadigden. Deze afwijking van de criteria wordt niet gerechtvaardigd door aard en omvang van het aanbestede werk”.

Bij GS wordt er op aangedrongen de uitvoering van het aanbestedingenbeleid in overeenstemming te brengen met dat beleid. Ook wordt geeist dat de formulering van de selectiecriteria voldoen aan het UAR 1986 en hetgeen bij andere provinciale overheden en RWS gebruikelijk is.

Maar GS wijzen het protest van Bruil BV met klem af: “Een vergelijking met de eisen die RWS stelt gaat mank, omdat in casu sprake is van duidelijke verschillen tussen tweede-, derde- en vierde-orde wegen van de provincie en rijkswegen, zowel qua vormgeving, intensiteiten, samenstelling van het verkeer en functie van de weg, maar ook wat betreft werkwijze tijdens de uitvoering”.

Volgens GS zijn de gunnings- en selectiecriteria dan ook afgestemd op de met deze factoren samenhangende moeilijkheidsgraad, alsmede op ervaring met dergelijke werken.

De gestelde eisen zijn volgens GS ook in overeenstemming met het provinciaal aanbestedingenbeleid. Ze wijzen er verder op dat het de provincie vrij staat om eigen richtlijnen te hanteren.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels