nieuws

IBC wint van RLD in isolatiegeding

bouwbreed

Als een opdrachtgever met een aannemer overeenkomt, dat die aannemer als eerste en enige gegadigde zal worden uitgenodigd voor overleg en onderhandelingen over een bepaald werk, kan de opdrachtgever niet vanwege het enkele feit, dat de aannemer een prijsopgave doet, die hij te hoog vindt, met andere aannemers gaan onderhandelen over dat werk. Zeker kan dat niet als in die zogenoemde afstandsovereenkomst is vastgelegd, dat in het overleg partijen ernaar zullen streven om naar de eisen van de goede trouw te komen tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst voor dat werk.

Dat besliste de President van de Haagse rechtbank in kort geding. IBC Bouwservice BV had dat aangespannen tegen de Rijks Luchtvaart Dienst, waarmee IBC die afstandsovereenkomst in maart 1993 had gesloten.

Het ging om een omvangrijk po, waarbinnen voor rekening van de RLD geluidwerende voorzieningen zouden worden aangebracht aan daarvoor in aanmerking komende woningen in Amstelveen, Zwanenburg en Aalsmeer. Die woongebieden ondervinden al jarenlang veel te veel geluidshinder van het nabijgelegen Schiphol. IBC had in 1992/93 fase 2 van het deelpo Amstelveen uitgevoerd; zij deed dat in opdracht van Heidemij Advies BV in Arnhem, die namens de RLD optrad als architect, constructeur en po-coordinator en ook de directie voerde. Dat eerste werk in Amstelveen was kennelijk tot volle tevredenheid van de opdrachtgever verricht, want voor de uitvoering van fase 3 (113 woningen) en fase 6 (98 woningen) werd weer in beginsel voor IBC gekozen.

Die combinatie kreeg het verzoek om voor beide poen een vaste totaalprijs voor beide poen op te geven. Die prijs diende gebaseerd te zijn op de notitie van de RLD uit 1993, waarin de beleidsuitgangspunten en praktijkregels voor het geluidsisolatiepo Schiphol waren vastgelegd. De te isoleren objecten waren vermeld op een codelijst met straatnamen en huisnummers.

IBC gaf voor beide poen de gevraagde prijs op: po 3 zou

voor f. 6836500 ke worden uitgevoerd en po 6 voor f. 5880000.

Dat was samen dus ruim f. 12,7 miljoen, maar zoveel had de RLD niet op zijn begroting staan. Het operationele budget voor die twee poen bedroeg f. 11792000 en dat was ongeveer 10% minder.

De vraag van IBC aan Heidemij om gegevens, waaruit zou ke worden nagegaan waaruit dat verschil kon voortvloeien werd niet echt beantwoord. De prijs van Heidemij. was ‘marktconform’ zo werd geantwoord.

IBC probeerde desondanks die prijs te halen maar deed dat door er van uit te gaan, dat 19 van de 211 objecten niet geisoleerd behoefden te worden.

De reactie van Heidemij was wat verrassend: de onderhandelingen werden beeindigd! Twee weken later werd dat toegelicht; de begroting van de Heidemij was getoetst aan de prijzen die voor andere poen waren ontvangen (en dus reeel, neem ik aan) en IBC had haar prijs niet mogen laten zakken door het aantal objecten te verminderen. Twee dagen hierna werden vier andere aannemers uitgenodigd voor het werk, dat nu ineens uit 193 objecten bestond en dat scheelde er maar een met de 192 waarvan IBC in zijn laatste prijsopgave was uitgegaan.

Logisch dat IBC naar de rechter stapte. De combinatie eiste in kort geding, dat de RLD de onderhandelingen moest hervatten, omdat die de in hun overeenkomst vastgelegde plicht om in onderling overleg naar de eisen van de goede trouw te streven naar de totstandkoming van een aannemingsovereenkomst voor dit werk, niet was nagekomen.

Maar het niet acceptabel zijn van de laatste prijs van IBC mocht voor de RLD niet de reden zijn om het overleg ineens af te breken. De president vond, dat de “eisen van de goede trouw” met zich brengen, dat partijen samen zouden nagaan hoe dat verschil van 10% kon worden verklaard. Omdat er uit hun overeenkomst een betrekkelijk zware plicht tot onderhandelen voortvloeide had de RLD/Heidemij op het verzoek om nadere gegevens moeten ingaan. Dan was er immers een zakelijke discussie mogelijk geweest, waarbij deze poen vergeleken hadden ke worden met die eerdere isolaties waaraan de Heidemij haar gemiddelde prijs ontleende.

Nu die discussie was afgehouden kon de opdrachtgever niet het standpunt innemen, dat IBC in feite te duur was. Het beeindigen van de overeenkomst en het organiseren van een aanbesteding voor datzelfde werk was daarom zonder meer onrechtmatig tegenover IBC.

Over het door de combinatie ingenomen uitgangspunt voor de nieuwe prijsaanbieding zei de president, dat daarbij weliswaar het risico bestond, dat die bewuste negentien objecten toch geisoleerd zouden moeten worden, maar de vraag of die kwestie al dan niet als minderwerk aangemerkt zou moeten worden had ook bij het uitonderhandelen aan de orde ke komen.

Daartoe werd de RLD dan ook zonder meer veroordeeld. De president beval deze Rijksdienst om de onderhandelingen terstond te hervatten en IBC daartoe de informaties ter beschikking te stellen die de RLD zelf had gebruikt bij het opstellen van haar eigen begroting. Het voortzetten van de alternatieve aanbesteding zou pas mogen geschieden als was komen vast te staan, dat tussen RLD en IBC geen overeenstemming kon worden bereikt in de onderhandelingen waartoe de RLD werd veroordeeld.

(BR p. 432)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels