nieuws

Planschade voorkomen

bouwbreed

De in het Nieuw BW opgenomen algemene regels over de verplichting tot schadevergoeding geven aan wat de inhoud en de omvang is van die wettelijke verplichting. Schade die niet in het vermogen wordt geleden (in de juridische vaktaal heet die immateriele schade) hoeft alleen te worden vergoed als de wet dat bepaalt. Dat betekent echter niet, dat partijen niet zouden ke overeenkomen, dat ook andere dan in de wet genoemde immateriele schade vergoed zal worden. Hier willen we het echter alleen hebben over de vermogensschade, die wordt geleden als gevolg van een nieuw of gewijzigd bestemmingsplan van de gemeente waarin het bestanddeel van het vermogen van de benadeelde gelegen is.

In de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarin de gemeenten wordt opgedragen bestemmingsplannen te maken, is ook een artikel opgenomen waarin de gevallen worden genoemd waarin de gemeente een schadevergoedingsplicht heeft.

Niet elke planschade komt volgens die regeling voor vergoeding in aanmerking. In de eerste plaats moet vaststaan, dat het schadeveroorzakende feit onder het voorgaande bestemmingsplan niet kon plaatsvinden. Daarom dient de gemeenteraad, die over een verzoek tot schadevergoeding moet beslissen, in de eerste plaats na te gaan of aan die voorwaarde is voldaan. Pas daarna komt de vraag aan de orde of er sprake is van schade en daarna of die redelijkerwijs ten laste van de benadeelde dient te blijven of niet.

Gemeenten plegen doorgaans zulke verzoeken af te wijzen omdat zij altijd wel vinden, dat een van die drie voorwaarden niet aanwezig is. Maar gelukkig hebben zij niet het laatste woord in deze gevallen, want in te instantie beslist de afdeling rechtspraak van de Raad van State over zulke verzoeken van zich benadeeld voelende burgers.

Dat was ook het geval in Scheemda. Daar verzocht een inwoner om vergoeding omdat zijn huis in waarde was verminderd nadat de gemeente vrijstelling had verleend (via het befaamde artikel 19 van de Wet R.O.) van het geldende bestemmingsplan Scheemda-Extra.

Daardoor werd de mogelijkheid geschapen om ten noorden van het huis van die inwoner een nieuwe woning te bouwen.

Dat kan toch bijna iedere inwoner van ons dichtbevolkte landje overkomen, zult u zeggen en iets in die richting vond ook de gemeente Scheemda. Die motiveerde de afwijzing van het verzoek met de overweging, dat de bouw van die nieuwe woning toch in de lijn der verwachting lag en dat de positie van de verzoeker nauwelijks verslechterd was.

Hoe weinig de gemeente op de hoogte was van de Wet en de jurisprudentie daarover blijkt wel uit de derde grond van de afwijzing: “Het risico van de waardedaling van zijn woning was door de eigenaar aanvaard omdat hij tegen het vrijstellingsbesluit geen bezwaar had ingediend.” Al twintig jaar lang beslist de rechter in zulke gevallen, dat het geen bezwaar maken tegen een nieuw bestemmingsplan of een ontheffing van een bestaand plan niet tot gevolg heeft dat daaruit voortvloeiend nadeel zonder meer ten laste moet blijven van de benadeelde.

Het is dus alles behalve verwonderlijk, dat de rechter het gemeenteraadsbesluit van Scheemda vernietigde en wel omdat het genomen was in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Dat beginsel houdt in, dat besluiten moeten worden genomen met de nodige zorgvuldigheid. Nu had de gemeente geen procedure-regeling gemaakt voor de behandeling van zulk soort verzoeken om schadevergoeding. Daarom toetste de rechter de door de gemeente gehanteerde manier van afhandeling van het verzoek aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarbij kwam de gemeente Scheemda er niet zo best af.

Niet alleen bevestigde de rechter de jarenlange jurisprudentie, dat de vraag of planschade redelijkerwijs ten laste van de belanghebbende dient te blijven niet mag afhangen van de vraag of hij wel rechtsmiddelen heeft ingebracht tegen de maatregel, in dit geval dus het ontheffingsbesluit, dat de schade heeft veroorzaakt.

Daar kwam nog bij, dat de gemeente het niet eens nodig had gevonden om de man te horen. Daartoe was alle reden aanwezig, want hij had B en W al eerder geschreven, dat hij het bewuste stuk grond graag wilde kopen om te voorkomen, dat er op gebouwd zou worden. De rechter maakte Scheemda nog een derde verwijt. De vraag of de planologische situatie verslechterd was door het vrijstellingsbesluit was niet eerst voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige. De Scheemdase ambtenaren hadden dat helemaal niet nodig gevonden omdat zelfs als er sprake zou zijn van schade, die toch voor rekening van de benadeelde moest blijven.

De rechter vond dat er wel degelijk aanleiding was geweest om een onafhankelijk deskundige in te schakelen om te ke bepalen of er sprake was van planschade. Nu dat niet was gebeurd had de gemeente alles behalve zorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van zijn besluit. Dat dient dus opnieuw te worden genomen en naar we mogen verwachten met de wijze lessen van de afdeling rechtspraak in het Scheemdase achterhoofd.

Hoewel planschade-lijdenden niet eerst hun bezwaren tegen een schadeveroorzakend plan (of een ontheffing daarvan zoals hier) hoeven te uiten, is het toch verstandig om dat wel te doen. Het voorkomen van schade is immers over het algemeen verre te verkiezen boven een geldelijke vergoeding daarvan.

(BR 1994 p. 66)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels