nieuws

De IJssel, de laatste Nederlandse waterlinie

bouwbreed

De Koude Oorlog is voorbij. De Koninklijke landmacht hoeft zich sinds de val van de Berlijnse Muur niet meer te fixeren op het Rode Gevaar. Hoe anders was het in de 45 jaar daarvoor.

Drs. J. Hoffenaar en drs. B. Schoenmaker, verbonden aan de sectie militaire geschiedenis van de landmacht, schetsen in hun boek ‘Met de blik naar het oosten. De Koninklijke landmacht 1945-1950′ een beeld van de Nederlandse defensievoorbereidingen in die periode. De auteurs geven in het boekwerk aan dat de landmacht begin jaren vijftig dacht met een brede IJssellinie de troepen van het Warschau Pact te ke stoppen. Ook concluderen zij dat tijdens de Koude Oorlog zo’n vijftig plaatsen in Nederland een potentieel doelwit vormden voor een Sovjet-kernaanval. De Koninklijke Landmacht was niet direct na de bevrijding gericht op het communisme.

“Je kunt in de door ons bestudeerde periode eigenlijk een tweedeling maken”, verduidelijkt Schoenmaker. “De eerste vijf jaren na de Tweede Wereldoorlog werden gedomineerd door de Indonesische kwestie. Pas daarna trad de Oost-West tegenstelling op de voorgrond. De militairen stelden zich vanaf 1950 concreet in op een aanval uit het oosten.” De NAVO nam in die periode het principebesluit om de Sovjet-legers zo ver mogelijk oostwaarts op te vangen. Het was echter onduidelijk in hoeverre de Bondsrepubliek actief bij een dergelijk verdedigingsplan kon worden betrokken.

Bonn vreesde met de stationering van geallieerde troepen aan de toenmalige DDR-grens een Duitse deling als voldongen feit te accepteren. Voorts hadden enkele bondgenoten, zoals Frankrijk, moeite met een eventuele Duitse herbewapening. Het bondgenootschap viel derhalve terug op de Rijn en de IJssel als verdedigingslinie. Zo’n verdedigingswerk was overeenkomstig de beste Nederlandse tradities.

Tot de Tweede Wereldoorlog maakte het onder water zetten van land (inundatie) deel uit van de Nederlandse plannen om de doorgang van een vijand uit het oosten te verhinderen. Het bijzondere van de IJssellinie was de omvang van de inundaties. “In nauwe samenwerking met Rijkswaterstaat en onder de groots mogelijke geheimhouding werd de linie van 1951 tot begin ’53 aangelegd,” vertelt Hoffenaar. Het po kreeg de codenaam Plan C, de beginletter van (Menno van) Coehoorn, een militaire ingenieur die al rond 1700 met innundatieplannen rondliep. “Bij Bemmel in de Waal en Oosterbeek in de (Neder-)Rijn werden verplaatsbare stuwen gebouwd. Deze kon men in de rivieren laten zakken als de vijand dreigde door te stoten. Het water van de Rijn zou zich dan een weg moeten banen door de IJssel, met grote overstromingen als gevolg.”

Om het effect van de stuwen te vergroten, werd ook bij Olst een stuw gebouwd, waardoor het water nog hoger zou komen. Voorts werden de sluizen in de Afsluitdijk gesloten om het waterpeil in het IJsselmeer, en daarmee van de IJssel, op te voeren. In het uiterste geval gingen dezelfde sluizen juist open om extra zeewater toe te voeren. Tussen Arnhem en Nijmegen legde Rijkswaterstaat een zogenoemde defensiedijk aan om te voorkomen dat de Betuwe zou onderlopen. De gevolgen van de inundaties zouden enorm zijn geweest. Een brede strook land aan weerszijden van de IJssel en de Rijn (tot diep in Duitsland) zou onder water komen te staan.

Hoffenaar: “Van Nijmegen tot Kampen zouden naar schatting ruim 400000 mensen hun woningen moeten verlaten.” Volgens de militaire plannen moesten de evacuees van de oostoever van de IJssel naar droge delen in de Achterhoek, Twente en met name het noorden van het land worden overgebracht. De getroffenen op de westoever kregen verder westwaarts een onderdak. Gebruik van de IJssellinie had ook voor West-Nederland ernstige gevolgen. “De waterhuishouding in delen van Utrecht en Zuid-Holland zou geheel ontregeld raken”, zo leggen Hoffenaar en Schoenmaker uit. “Bij neerlaten van de stuwen zouden de Rijn en de Waal droog komen te vallen. Met name in het Westland zou een enorme verzilting zijn opgetreden.” De beide auteurs weten niet in hoeverre de plaatselijke overheden langs de IJssel op de hoogte waren van Plan C. “Waarschijnlijk is hen alleen dat verteld, wat Defensie nodig achtte. Helemaal onwetend ke ze niet zijn geweest. Voor de aanleg van bepaalde werken moest immers bezit worden gevorderd.” De NAVO liet de Rijn-IJssel in 1958 los als hoofdverdedigingslinie. Het zwaartepunt van de bondgenootschappelijke defensie kwam steeds verder oostwaarts (in Duitsland) te liggen. Dit leidde in 1963 tot de permanente legering van Nederlandse legereenheden op de Noordduitse laagvlakte. Tussen 1963 en ’67 werden langs de IJssel de stuwen en de andere verdedigingswerken opgeblazen. Vandaag de dag is van de laatste Nederlandse waterlinie bijna niets terug te vinden.

De grotere rol die Duitsland in de jaren zestig ging spelen hield niet in dat Nederland in de luwte kwam te liggen. Ons land had een essentiele taak bij de doorvoer van militair materieel en personeel naar Duitsland, zeker nadat Frankrijk in 1966 uit de militaire structuur van de NAVO was getreden. De Nederlandse infrastructuur zou een dankbaar doelwit vormen voor Sovjet-kernbommen.

Eind jaren zestig schatte Defensie dat zo’n vijftig plaatsen in geval van oorlog een atoomaanval konden verwachten. Met name Maastricht zou in dat geval een zware klap te verwerken krijgen. De St.Pietersberg herbergde namelijk een NAVO-commandopost. Voorts was de verwachting dat alle vliegvelden, de petro-chemische installaties in de Rijnmond, communicatiecentra alsmede de bruggen over IJssel, Waal en Maas met een atoombom bestookt zouden worden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels