nieuws

Constructieve vormgeving vervaagt als norm voor kwaliteit

bouwbreed

In de loop van de tijd werd het vak bouwconstructie creatiever aangeduid met ‘constructieve vormgeving’. Daarbij werd het werk van Pierre Luigi Nervi, Felix Candela en voorgangers zoals Gustave Eiffel en Robert Maillart als voorbeeld gezien. Dat ijkpunt van constructieve en architectonische kwaliteit lijkt in verval.

We zijn er langzamerhand aan gewend, dat ‘alles te maken is’, desnoods met computer en kitspuit. Een willekeurig, zij het aansprekend, voorbeeld vormt een perronoverkapping in Keulen. De slanke staalconstructie voor met glas gedekte kappen werden buitengewoon gecompliceerd omdat het railtrace ook nog even afboog. Veel vervormde platen verschillen daardoor van vorm. Dankzij de inzet van computers werd de constructie geoptimaliseerd en in de fabriek geautomatiseerd vervaardigd. De panelen glas kwamen ordentelijk gemerkt op het werk aan en hoefden slechts op hun juiste plaats te worden gelegd.

Ton Alberts vertelde me, rondwandelend in de afwerkfase, dat ook betimmeringen met het uiterlijk van organische architectuur zo uitgevoerd hadden ke worden. Het is hier nog vakkundig handwerk geweest, maar in de naaste toekomst verwacht hij volledig geautomatiseerd verwerken van bijvoorbeeld platen triplex voor de moeilijkste vormen van plafonds en aansluitende betimmeringen met veelhoeken en diamantvormen.

Timmerwinkel

Docent Vergeer heeft decennia lang op de Haagse Academie van Bouwkunst studenten vertrouwd gemaakt met zijn begrip ‘timmerwinkel’. Nervi was al bijna heilig verklaard om zijn constructieve vormgeving, waarin het constructieve krachtenspel afleesbaar leek, maar soms ook knap is gemanupuleerd. Over die manupilatie spraken we in onwetendheid toen nog niet.

Menige bouwput passerend, wordt die bijna traumatische timmerwinkel me weer in herinnering geroepen. Je had een ogenschijnlijke logische constructie bedacht, waarop Vergeer reageerde met vragen over de wijze van het maken van de betonbekisting, het probleem van verbindingen tussen onderdelen van staal of het overschot aan verspaand hout bij ‘optimale’ vormgeving. “Bekijk die timmerwinkel nog eens” was ongeveer het sein dat men aangeland was bij een nieuwe opzet voor het studieontwerp.

Als ik nu dagelijks langs een bouwput van een van de grootste institutionele beleggers voor eigen gebruik fiets, raak ik verbijsterd. Een gevelkolom van beton wordt over de volle hoogte van meer dan vijf meter aangemetseld tot een horizontale doorsnede die een veelvoud van het beton is. Vervolgens worden daar geprefabriceerde betonplaten om gemonteerd en is het gelaten afwachten wat de uiteindelijke afwerking wordt. Gevels er boven zijn afgewerkt met prachtige grote keramische tegels, platen zou men ke zeggen, die aan metaalprofielen worden opgehangen met daartussen isolatie materiaal dat het skelet van beton en menige vulling van metselwerk afwerkt.

Deze twee tegengestelde voorbeelden van Keulse perronkap en Haagse kantoor tonen uitersten in de beroepsopvatting.

Bij de nadering van het hoofdkantoor van de Gasunie wordt men geconfronteerd met een toren van 87 meter hoogte, ogenschijnlijk opgetrokken in metselwerk. De Hollandse baksteen degradeerde van constructiemateriaal in stapelbouw tot bekledingsmateriaal. Architect Piet Kramer paste het indertijd virtuoos toe voor de gevels van de Haagse Bijenkorf en sprak toen al over een gordijn rond het skelet.

Voor de Gasunie lijkt het gebruik minder virtuoos, maar er waren veel vormstenen nodig die afwijken van het gebruikelijke formaat en in drie kleuren zijn gebakken. Het maakte de eigenzinnige vormen mogelijk met wijkende gevels en hun beeindigingen. Het past niet in de ‘eerlijke’ opvattingen van Berlage, hoewel Ton Alberts zich daar verwant aan voelt met het schoon toepassen van baksteen. Toch is dit materiaalgebruik minder verloederd dan het technische hoogstandje van de dunne keramische gevelplaten aan het Haagse kantoorgebouw. Maar waarschijnlijk zit er evenveel onnodig bouwvolume in de organisch ogende vormwil te Groningen.

Constructie en vorm

De eigenlijke constructie van het hoofdkantoor van de Gasunie, binnen de regenjas van baksteen, gevoerd met een isolatiepakket, toont een vermenging van veel beton en wat staal. Het eigenlijke kantoordeel boven de derde verdieping bestaat uit een casco van kanaalplaten op dragende binnenspouwbladen. Omdat er in de gevels verspringende raampartijen zijn ontworpen, is gebruik gemaakt van balken in de geprefabriceerde binnen-spouwelementen. De vloerplaten dragen van gevel tot gevel. Het levert een uiterst flexibele kantoorvloer op. Alleen waren verstijvingswanden nodig over de hele hoogte, die zich in de gevels even als penant manifesteren. Ze werden in het werk gestort.

Een tour de force is het knooppunt waar de knik in de kantoorstrook is opgenomen. Op die plaats is ook de hoofdtrap gesitueerd in een trapgat over torenhoogte, naar beneden groter wordend om ruimtelijk in de hal over te gaan. Er was een centrale kolom voor nodig, die onderin splitst werd tot een Y-vorm. De grotendeels geprefabriceerde constructie van deze ‘stemvork’ is deels in situ aangestort. Dat is nu ter plaatse niet meer afleesbaar, maar leidde tot een knap ingewikkelde constructie die met vijzels onder druk stond, en afnam bij toenemende bouwhoogte. Het is allemaal te maken, en zelfs de enorme aantasting van de constructieve hoofdopzet door uitholling voor dat verder kolomloze trapgat, vereiste ingenieus vakwerk. En dat er in dat ruimtelijke spektakelstuk standaardtrappen zijn gebruikt, die 4,5 graad ten opzichte van elkaar zijn verdraaid, levert dan zo’n in hoogbouw unieke vide op.

Beton en staal

Het hierboven geschetste casco van grote betonelementen is onderin het gebouw ‘opgevangen’ door een gedeeltelijke staalconstructie. Want vanuit de kelder is gewerkt met een constructief ontwerpraster van 7,2 x 12,8 m, om daar een meer open constructie te krijgen. Om de overgang van dit betonskelet op het torencasco met grote elementen mogelijk te maken, is een verdiepinghoge staalconstructie van vakwerkspanten toegepast.

Het bleek dus niet mogelijk om de gewenste bouwvorm in een logische en blijvend zichtbare structurele vorm onder te brengen. Het werd een overmaatse timmerwinkel die zich voortzet in de dakconstructie van de laagbouw. Het zo efficient mogelijk toepassen van staalprofielen is een werkwijze die in publikaties aantoont dat er geen sprake is van geintegreerde vormgeving. Maar we ke alles maken, dus ook de vormwil die tot de spectaculaire toren heeft geleid.

Het is de vraag of men voor de constructie over vervagende normen kan spreken. We stellen andere prioriteiten, waarin een gekozen vorm kennelijk belangrijker is dan constructieve integratie. De uitgangspunten van veertig jaar geleden lijken geevolueerd, al blijven er ontwerpende ingenieurs als Calatrava, die vormen ontwikkelen die zowel constructief als architectonisch hoge waardering ondervinden. Daarnaast zijn er andere criteria, die bijvoorbeeld in het werk van Ton Alberts en Max van Huut tot meer organisch ogende vormwil leiden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels