nieuws

Aldo de vuurvogel

bouwbreed

‘Aldo van Eyck – relativiteit en verbeelding’ is de titel van een briljante bibliografie die onlangs is verschenen, geschreven door Francis Strauven. Het boek van 672 bladzijden vormt een rijke bron aan documentatie, uiteraard over de hoofdpersoon, maar daarnaast over bijvoorbeeld het Ciam en de Nederlandse afdeling, Team X, de Forumredactie toen het tijdschrift werkelijk enkele jaren een forum was. Maar ook personen als Jaap Bakema en Piet Blom worden haast terloops raak geportretteerd. Van Eyck hield Strauven achttien jaar aan de praat; het pleit voor Francis dat hij dat heeft volgehouden en nu een voortreffelijk boek afrondde.

Bij de presentatie van het boek, enkele weken geleden in het Berlage-Instituut, werden opmerkelijke dingen gezegd. Herman Hertzberger schilderde de situatie het bondigste af: tientallen boeken verschijnen er over allerhande architecten, maar nu pas is daar eindelijk ‘het eerste boek’ over Aldo van Eyck, was de strekking van zijn verhaal. Uitgevers moesten zich schamen dat het zo lang duurde voordat dan eindelijk een boek over Van Eyck is verschenen, werd bij die gelegenheid beweerd.

Ogenschijnlijk had Hertzberger gelijk, hoewel er enkele beknoptere boeken over Van Eyck zijn verschenen, ondermeer van dezelfde auteur. Maar waarom de waarheid zoveel geweld aangedaan? Het was niemand minder dan Aldo zelf, die publikatie in binnen- en buitenland voorkwam omdat hij zelf een te grote vinger in de pap wilde. Daarom ontbreekt ook nu nog steeds een goed overzicht met ruimhartig afgebeelde foto’s van het complete architectonische oeuvre van Aldo (en Hannie) van Eyck.

Dergelijke opmerkingen klinken als vloeken in de kerk; dat is niet direct de bedoeling, maar het feestelijk ten doop houden van een boek mag geen aanleiding vormen tot schijnheilig geklets.

Intussen levert het wel een indicatie op van de volhardende wijze waarop de Belgische kunsthistoricus Francis Strauven zich heeft overgegeven aan de voltooiing van dit meesterwerk.

Daarover moet geen misverstand bestaan, en betreft waarschijnlijk evenzeer de uitgeverij Meulenhoff. Strauven heeft echter bewust gezocht naar een vorm waarin Aldo van Eyck, ‘de vuurvogel’ volgens kunsthistorica Carola Giedeon-Welcker, volledig recht wordt gedaan ten aanzien van zijn veelzijdig kennis van architectuur, beeldende kunst en nog een aantal andere specialismen. Ook mevrouw Giedeon was daar al tijdens Aldo’s studententijd in Zieuwerich van onder de indruk en noemde de student de vuurvogel, naar een een gelijknamig werk van Strawinski. Daarin gaat het om een mensen consumerende vogel uit een Russisch verhaal.

Wanneer men het boek leest, is Van Eyck altijd heel duidelijk in zijn stellingname geweest. Duidelijk en fel, veelal terecht, soms lachwekkend want er zijn waarschijnlijk geen vier tot vijf architecten die Meier hadden ke verbeteren. Die kwaliteitspreiding is mij tenminste nog niet opgevallen.

In de eerste hoofdstukken van het boek wordt een beeld gegeven van de kring waarbinnen Aldo opgroeide, zijn ouders maar ook enkele familieleden waar hij veel contact mee had. Strauven volgt Van Eyck in zijn groei die uiteindelijk tot het besluit leidde om in Zieuwerich aan de ETH te gaan studeren. In die tijd ontmoette hij het echtpaar Giedeon en greep hij iedere mogelijkheid aan om kennis te maken met een toen nog levende generatie kunstenaars, zoals die voor een deel in Parijs woonde.

Na zijn opleiding kwam Aldo van Eyck in ons land terug en werd langs verschillende wegen opnieuw geconfronteerd met stromingen in de architectuur en beeldende kunst. Hij had bijvoorbeeld contact met de Cobra-groep, waarvoor hij ook tentoonstellingen inrichtte en betrokken raakte bij hun activiteiten. Achteraf is het interessant en soms heel smakelijk om de rellen van toen door de bril van vandaag te bezien. Maar Van Eyck zag wel steeds kans, om zulke contacten uit te bouwen tot waardevolle ontwikkelingen, voor zich en voor anderen.

Dat laatste gold ook al vroeg voor zijn uiteenlopende werk als docent, hetgeen een belangrijke draad in zijn carrirocentre vormden waar hele generaties jongeren van hebben geprofiteerd. Het is voor het eerst dat deze ontwikkelingen op papier zijn gedocumenteerd. Natuurlijk was de rol van Aldo van Eyck in de naoorlogse geschiedenis incidenteel bekend, weten insiders daar veel vanaf. Strauven is er in geslaagd lijn te brengen in die gegevens.

Incidenteel zijn er bijvoorbeeld in verschillende artikelen interpretaties verschenen van de werkwijze van het team dat het NOP-dorp Nagele heeft ontworpen, met name bijvoorbeeld ten aanzien van Rietvelds bijdrage daaraan. Aldo heeft daar veel aan bijgedragen, en het is goed dat dit nu tijdens zijn leven is beschreven, omdat men bij Rietveld de ontwikkeling achteraf aan de hand van alleen archivalia en de gedachten van anderen daarover heeft ke recon-streren. Een ander punt vormt de legendevorming rond het Burgerweeshuis, dat nu ook is uitgeplozen, waarbij Aldo zaken aan kon reiken die in hun breedste verband door anderen weer zijn onderschreven. Daarbij gaat het ook om een tijdsbeeld gedurende de naoorlogse periode tot in de jaren negentig.

Vrijwel geen tijdgenoot heeft zich zo consequent in werk en opvattingen ontwikkeld. Daarin was plaats voor vernieuwing, maar bleef de draad van de ontwikkeling zichtbaar. En de breedte daarvan wordt duidelijk als men ziet hoe Van Eyck uiteenlopende mensen als Piet Blom, Joop van Stigt en Herman Herzberger beussennvloedde, zonder hen overigens de les te lezen. Verschillende personen waarmee Strauven heeft gesproken, gaven aan dat Aldo ontwikkelingen vanuit hun eigen opvattingen aan het daglicht bracht en stimuleerde op ingeslagen wegen. Dat gebeurde zelfs wanneer de docent het zelf absoluut anders zou hebben gedaan.

Het architectonische werk wordt in relatie tot de ideeen en achtergronden belicht. Het geeft een indicatie van wijze waarop het werk van Aldo van Eyck tot stand kwam, en die is zeker voor uitvoerende partijen niet altijd het eenvoudigste. Nog tijdens het gevorderde bouwproces ontwikkelt Aldo van Eyck details en aanvullingen die het uiteindelijk resultaat ten goede komen. Daar is binnen het bouwteam niet altijd evenveel behoefte aan, maar Van Eyck zet zichzelf volledig in en verwacht dat ook van anderen. Het bouwproces is tijdelijk, het gebouwde resultaat moet decennia mee ke.

Met dit boek mogen we ons gelukkig prijzen omdat het een goede blik geeft op de architect en zijn opvattingen, zijn werk en invloed. Achttien jaar werken aan het boek leidde tot een document over onze begaafdste architect, die volledig recht doet aan zijn veelzijdigheid. Het kan erg lastig zijn als een ontwerper het aspirantauteurs moeilijk maakt, door hoge eisen te stellen. Maar het leidde wel tot een relatief laat verschenen boek dat recht doet aan Aldo van Eyck, en aan de kennis en het uithoudingsvermogen van zijn biograaf Francis Strauven. Het vertalen van zo’n boek lijkt geen kleinigheid, maar moet er wel op korte termijn komen. Daarmee zou de architectuur internationaal zijn gediend.

Francis Strauven: ‘Aldo van Eyck – relativiteit en verbeelding’. Uitgave: Meulenhoff, Amsterdam 1994. Formaat: 16,7 x 24 cm, 672 blz. ISBN: 90 290 8095 7.

Prijs: f. 99,50.

Aldo van Eyck maakte meteen internationaal furore met zijn Burgerweeshuis in Amsterdam, dat nu ondermeer het Berlage Instituut huisvest.

Een deel van de hal van Huize Padua in Boekel dat in 1989 in gebruik genomen is. De cirkel en het vierkant verenigt Van Eyck herhaaldelijk in zijn werk.

Het facilitair gebouw voor Estect in de duinen nabij Katwijk vormde een late vernieuwende vorm van het Structuralisme in ons land.

Voor het kantoorgebouw van Estec zocht Van Eyck naar een gevelmateriaal dat zich in het duinlandschap zou laten opnemen: de gordijngevel is geheel in hout geprefabriceerd.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels