nieuws

VGBouw wil andere mededingingsregels

bouwbreed

Een goede marktordening, waarvoor de regels door opdrachtgevers en opdrachtnemers samen zijn opgesteld, is te prefereren boven een onderling mededingingsregime van bouwbedrijven. Om een dergelijke regeling algemene geldingskracht te geven, zou dat in wetgeving moeten worden opgenomen.

Dat vindt de Vereniging Grootbedrijf Bouwnijverheid, die deze stelling door voorzitter drs. Chr. Sas publiek liet maken op de ledenvergadering.

Die marktorderning zou er voor moeten zorgen dat in een faire competitie uitgenodigde inschrijvers een redelijke scoringskans krijgen.

Bovendien zou er een redelijke verhouding moeten bestaan tussen de kosten van inschrijving en de kans op succes.

Voor de VGBouw betekent dit dat het aantal inschrijvers op een werk moet worden gelimiteerd.

“Door een al te groot aantal inschrijvingen wordt uitgelokt dat er te globaal of misschien helemaal niet wordt gecalculeerd. Het belang van de opdrachtgever en een gezonde onderlinge concurrentie zijn daar niet mee gediend”, aldus Sas.

Rekenvergoedingen

De VGBouw vindt “dat voor kostbare inschrijvingen vergoedingen door de opdracht gever beschikbaar moeten worden gesteld. Het gaat dan niet om de min of meer simpele offerte, maar om een substantiele hoeveelheid werk, die verricht moet worden door meerdere, vooraf geselecteerde, bedrijven.”

Zolang het Europese Hof nog geen uitspraak heeft gedaan in de aangespannen bodemprocedure over de Nederlandse mededingingsregeling blijft VGBouw onverkort staan achter “een correcte toepassing van de ‘Voorlopige Uitvoerings Instructie’, die door de Samenwerkende Prijsregelende Organisaties in de Bouw is opgesteld op basis van wat de president van het Europese Hof na een kort geding heeft toegestaan”.

Prestatieconcept

De VGBouw begrijpt overigens wel dat de door haar voorgestelde ordening, waaraan door wetgeving alle marktpartijen, ook in de private markt, zullen zijn gebonden,nog wel enige tijd op zich zal laten wachten.

Mocht het helemaal niet haalbaar zijn dan denkt VGBouw aan de mogelijkheid om eigen algemene voorwaarden te ontwikkelingen en te deponeren. Daarin past het toepassen van een prestatieconcept goed.

Op een door de opdrachtgever gestelde functionele en technische eisen, vastgelegd in een programma van eisen of een prestatie-vraagbestek, reageert het bouwbedrijf dan met een uitwerking, die wordt voorzien van een prijskaartje. Ook kan binnen een door de opdrachtgever aan te geven budget worden aangegeven wat daarvoor door een bouwbedrijf kan worden gerealiseerd. “Op die wijze kan concurrentie op kwaliteit reele inhoud krijgen”, aldus voorzitter Sas.

Arbeidsverhoudingen

Ook op het terrein van de arbeidsverhoudingen staat VGBouw meer marktwerking voor. Het collectivisme heeft in de loop der jaren in de bouw behoorlijk toegeslagen, aldus Sas.

Daardoor zijn er tal van instellingen ontstaan, die met collectieve gelden gevoed worden. Die dragen daartoe flink bij aan het grote verschil tussen bruto loonkosten en wat de werknemer netto in handen krijgt. Daarom moet er een heroverweging van collectief opgepakte taken komen.

Ook, aldus Sas, ten aanzien van de arbo-dienstverlening. Dus geen uitgebreid controle- en begeleidingsorgaan dat uit collectieve middelen wordt gevoed, maar aan een marktgerichte commerciele opzet, van waaruit diensten aan de bouwbedrijven wordt aangeboden. Zo blijven bedrijven volledig vrij de arbo-dienst te kiezen die ze zelf willen inschakelen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels