nieuws

Maatschappelijke acceptatie van Betuwelijn is nog steeds gering

bouwbreed

De maatschappelijke acceptatie van het kabinetsbesluit tot bovengrondse aanleg van de Betuwelijn in de provincie Gelderland lijkt geringer dan ooit nu provincie en de gemeenten langs het trace zich tot de Eerste Kamer hebben gewend in verband met vermeende fouten in de juridische en procedurele kant van de besluitvorming.

Juist de mate van acceptatie bepaalt de kans van optreden van vertragingen bij het inpassen van het po in streek- en bestemmingsplannen.

De benodigde tijd die gemoeid is voor het aflopen van het traject tussen de eerste plannen met betrekking tot vervoersinfrastructuur en het voltooien van de inpassing van deze plannen in streek- en bestemmingsplannen laat zich niet weergeven in een enkel getal.

Bestaat geen tot weinig maatschappelijke weerstand tegen het vervoersinfrastructuurpo dan moet worden gerekend op een periode van 6 tot 10 jaar. Bij weinig tot grote maatschappelijke weerstand moet rekening worden gehouden met een periode van 7 tot 15 jaar. Bij grote maatschappelijke weerstand moet gedacht worden aan massale tegenstand, niet alleen van de kant van de betrokken bevolking en belanghebbenden maar ook van bestuurlijke zijde, zo blijkt uit CUR-rapport 93-8F ‘Procedurele en Juridische Effect Rapportage’.

Verschillen

Daarin is onderzocht welke juridische en procedurele verschillen tussen boven- en ondergrondse aanleg van vervoersinfrastructuur van belang zijn en waarin staat aangegeven welke punten van regelgeving tot problemen ke leiden.

In het deelrapport, behorende tot het eindrapport van de Stuurgroep Ondergrondse Vervoers-Infrastructuur (SOVI) ‘Ondergronds Overwegen’ uitgegeven door de CUR te Gouda, wordt onder meer geconcludeerd dat: “Het risico van extra tijdbeslag ten gevolge van maatschappelijke weerstand ligt dientengevolge met name in het traject van het tracebesluit en daar opvolgende planologische inpassing (streek- en bestemmingsplan).”

Weerstand

De gevolgen van maatschappelijke weerstand tegen een voorgenomen project kan zich uiten op zowel procedureel als juridisch vlak. In procedurele zin kan het zich vertalen in het maximaal gebruik maken van beroepsprocedures tot aan de hoogste rechterlijke instantie. Voor de (bestuurlijke) beslisser geldt hier de handicap dat de (onafhankelijke) rechter niet formeel juridisch aan termijnen is gebonden.

Ook kan zich het risico van extra tijdbeslag voordoen als gevolg van maatschappelijke weerstand bij de medewerking van gemeenten bij de inpassing van het voorgenomen po in bestemmingsplannen op grond van het tracebesluit. De vraag is of een gemeente, in een voorkomend geval, duidelijk aangeeft geen medewerking aan de bestemmingsplaninpassing te willen verlenen.

Zo dit niet duidelijk gebeurt, zou in weerwil van wettelijke voorgeschreven termijn voor de medewerking toch een (in de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen niet ongebruikelijke) situatie van een “slepend” overleg over die medewerking tussen overheden ke ontstaan. Het in werking treden van de Tracewet biedt de mogelijkheid de periode waarin sprake is van “slepende overleg” beperkt te houden tot enkele maanden.

Het risico op vertragingen in de besluitvorming zal geringer zijn naarmate de maatschappelijke weerstand tegen het voorgestane po minder is. Een dergelijke vermindering valt volgens de opstellers van deelrapport 93-8F te bereiken door in de voorbereiding en uitwerking van varianten recht te doen aan het ondervangen van bezwaren ingebracht door alle bij het po betrokkenen/belanghebbenden.

Zuiverheid

Het schort bij de besluitvorming over de Betuwelijn volgens het Gebundeld Bestuurlijk Overleg (GBO) aan zuiverheid in de procedures. Het GBO is het orgaan waarin de provincie Gelderland en de betrokken gemeenten de krachten hebben gebundeld.

Er is nooit een samenhangend besluitvormingsproces geweest omtrent de aanleg van de Betuwelijn, de goederenspoorlijn van de Maasvlakte naar Duitsland, zo stelt het GBO.

Bijvoorbeeld voor de noordtak , de verbinding tussen Oldenzaal en Elst, waarvoor juridisch niets is geregeld terwijl daarover tussen kabinet en Tweede Kamer al wel politieke overeenstemming bestaat.

Wordt de Oost – West verbinding al wel aangelegd maar de besluitvorming over de noordtak naar de toekomst verschoven dan komen de betrokkenen in Gelderland voor situatie te staan waarin geen andere weg open staat dan instemmen met hetgeen ter tafel ligt.

Het GBO hoopt met de brief aan de Eerste Kamer meer gehoor te krijgen dan met eerdere brieven richting Tweede Kamer. Dit omdat de Eerste Kamer veelal bijzondere aandacht besteedt aan procedurele zuiverheid en aan de rechtmatigheid van overheidshandelen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels