nieuws

Haagse uitverkoop: architectuur vogelvrij

bouwbreed

Opnieuw dreigen in Den Haag beeldbepalende gebouwen te worden gesloopt om er rendabeler bouwvolumen voor in de plaats te bouwen. Het is een schoolvoorbeeld van hetgeen prof. Van Stigt onlangs als ambtelijke gemakzucht kenschetste, om liever te slopen dan hergebruik te overwegen.

Op een steenworp afstand van het Haagse Binnenhof ligt de ‘Buurtschap 2005’, met binnen de grachtengordel van Den Haag het Smidswater en aan de overzijde van het water de Nieuwe Uitleg. Het stadsbeeld heeft nog het karakter van een historische gracht, met incidentele naoorlogse invullingen. Tegenover de achterzijde van de Amerikaanse ambassade van Marcel Breuer staat een kloek en beeldbepalend voormalige ministerie van Onderwijs, rond de jaren vijftig ontworpen door rijksbouwmeester G. Friedhof. Er ligt een bestraat pleintje voor, dat voor parkeren wordt gebruikt. In de verdere grachtwand treft men uitbreiding van het gebouw, in de trant van aangepaste architectuur uit de jaren zestig: traditionele baksteenarchitectuur en ramen met roede-indelingen. Boven de bewerkte daklijst verheft zich een royale pannenkap met dakkapellen.

Beeldbepalend

De onderhavige panden zijn wat grootschaliger dan oudere grachtenpanden verderop, maar zijn daarmee niet in disharmonie.

Het representatieve hoofdgebouw van Friedhof is nog iets groter, maar misstaat hier niet. Het vormt een onderdeel van de legpuzzel binnen het Haagse stadsgezicht en zijn geschiedenis. Het gebouw veroverde een eigen plaats daarin en in de geschiedenis van de regionale architectuur.

Het gebruik van ‘baksteen met pannendaken’ was actueel en werd gedegen gedetailleerd met vormsteen rond de de ramen op de hoofdverdiepingen, monumentale strekken boven de kozijnen en een gevarieerd ornamentaal vlechtwerk van baksteen in afwijkende formaten.

De hoofdentree is bekroond met een klein balkonnetje en daarboven een monumentale leeuw in het Haagse groen.

Monumentaal

De naoorlogse architectuur van Friedhof heeft nooit brede waardering ondervonden, zeker niet in Den Haag. Hij realiseerde daar ook het ministerie van Landbouw waarin zijn traditionele opvattingen geen vat meer hadden op de omvang van dlaatse bouwopgave.

De ruimten aan de Nieuwe Uitleg liggen gedeeltelijk rond een monumentale hoge hal en aansluitende binnenhof. Aan de ‘achterzijde’ kijkt men uit op het Malieveld.

Met de sterk achteroplopende regels van monumentenzorg, is een gebouw als het onderhavige nog lang niet aan inventarisatie toe, laat staan aan selectie als monument. Maar het is wel heel karakteristiek voor die periode van behoudende rijksbouwmeesters, wiens jeugdwerk van het stadhuis in Enschede inmiddels wel als monument is erkend.

Binnen de plaatselijke monumentenzorg zou een dergelijk gebouw al lang op de gemeentelijke lijst hebben moeten staan. Maar de Haagse ambtelijke molens malen langzaam en hebben het momenteel druk met de architectuur tussen 1850 en 1940, aldus het bureau Monumentenzorg.

Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rotterdam, dat nu al naoorlogse architectuur inventariseert.

Afschuivende overheden

Opmerkelijk is het afschuiven van verantwoordelijkheden in voorbeelden als deze. RGD heeft even geen passende bestemming en ruilt het tegen een benodigd stuk grond elders met de gemeente. Die gemeente wacht rustig af welke poontwikkelaar zich het eerste meldt en een goede prijs biedt. Daarmee is de verantwoordelijkheid doorgeschoven naar een ontwikkelaar.

Dlaatse heeft even geen belangstelling voor monumentale waarde en al helemaal niet voor milieutechnische zaken waarbij sloop toch wel een enorme belasting vormt. En architecten verhuren zich graag voor wat werkgelegenheid, zodat een bureau met enige naam op het gebied van restauratie zich graag tot nieuwbouw ontwerpen bereid toont.

Voor de aansluitende rij ministeriele panden is derhalve sloopvergunning aangevraagd, om er een veelgelijkend pand voor in de plaats te realiseren, met een extra verdieping, een dakopbouw en verkaveling in flatwoningen.

Toch gaat het om panden die in redelijk goede staat verkeren. Maar de voorlichter van wethouder Peter Noordanus, Peter Ruytenbeek, gaf onomwonden toe dat er nooit aan hergebruik is gedacht “omdat men de gebouwen gewoon zo snel mogelijk in de markt wilde wegzetten”. Het lijkt de karikatuur van een zich terugtrekkende overheid, die de handen wast in onschuld. Zij streeft zo nu en dan ogenschijnlijk naar architectonische kwaliteit, waarin de RGD haar zo voorbeeldig voor heet te gaan, maar laat zich niets gelegen liggen aan condities bij verkoop, die de marktwaarde van de grond zou ke overschaduwen. Alleen de republiek Frankrijk heeft zich beklaagd inzake mogelijke sloop; dat is heel curieus als men ziet in wat voor een onbenullige ambassade-architectuur haar vertegenwoordiging ernaast is gehuisvest. Zo vormt de Nieuwe Uitleg een verbijsterende vorm van doorgeschoven verantwoordelijkheid inzake de omgang met een beschermd stadsgezicht, het besef van architectuurhistorische ontwikkelingen, bestaande architectonische kwaliteit, milieu en behoorlijk beheer van het stedelijk bouwvolume.

Als de overheden zich niet zo achter weinig serieus te nemen redeneringen verscholen, dan viel er heel wat uit te leggen, onder meer aan omwonenden en verdere Haagse burgerij.

Fragment van het beschermde stadsgezicht in Den Haag met de Nieuwe Uitleg. Op de voorgrond Friedhofs ministerie uit de jaren vijftig en links daarvan slooprijpe kantoorbebouwing uit de jaren zestig.

Detail van het metselwerk van architect Friedhof dat op het werk in overleg met de metselaars werd gerealiseerd.

De kantoorgebouwen uit de jaren zestig die ingewisseld worden door vrijwel identieke architectuur rond nieuwe flats, iets eenvoudiger, wat hoger en een gebogen daklijn.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels