nieuws

Baksteen helemaal terug als springlevend materiaal

bouwbreed

Forse promotionele activiteiten en het innovatieve Brik-programma (Baksteen Research Innovatie Kennis overdracht) hebben in een jaar of vijf tijd het zicht op baksteen als traditioneel, verouderd produkt doen omslaan naar een eigentijds, kleurrijk en springlevend bouwmateriaal. Zo vindt althans de in december nieuw aangetreden voorzitter ing. A.H. Ratering van KNB en bureaudirecteur drs. J.H. de Muinck Keizer valt hem volmondig bij. Medewerker Daaf P. Wijlhuizen sprak met hen in het Keramisch Huis te De Steeg.

Sinds de jaren zestig is de Nederlandse baksteenindustrie geteisterd door saneringen. De ene golf volgde op de andere waardoor ettelijke tientallen bedrijven het loodje legden. De laatste dateert uit de beginjaren negentig en moest de structurele overcapaciteit uit de markt halen. Dat is gelukt, maar het gevolg is wel dat nu nog maar vijftig fabrieken produceren. Samen maakten (zie Cijfers) ze vorig jaar rond 1285 miljoen gevelstenen, teruggerekend naar Waalformaat Wf, en 110 miljoen straatstenen. Zeker zo belangrijk is dat de eindvoorraad terugliep van 411 miljoen gevelbakstenen tot 270 miljoen. De industrie is ermee verlost van de baksteen om haar nek.

e Muinck Keizer meent tenminste dat “gezien het aantal sorteringen” een voorraad van 270 miljoen gezond kan worden genoemd. Intussen gebeurde in die laatste hectische jaren nog iets heel anders. Mocht in eigen land hier en daar nogal neerbuigend over de vaderlandse baksteenindustrie worden gedaan, het buitenland oordeelde anders. De Australische Boral groep, de Belgische Desimpel en Koramic dienden zich aan terwijl het Britse Redland actief bleef. Ook de Ieren zijn komen buurten en door dit alles is de ‘Nederlands’ baksteenindustrie voor zeker 60 procent in buitenlands bezit. Dit neemt niet weg dat het Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten KNB een hechtere organisatie is dan ooit; liefst 97 procent van de produktie is aangesloten. “De organisatiegraad is hoger dan ooit”, constateert De Muinck Keizer.

Het vermoeden ligt voor de hand dat tijdens de laatste saneringsgolf produktieafspraken onderling zijn gemaakt. Ratering ontkent dit ten stelligste. “We werken samen in de promotiesfeer van de produktie. Door de promotie in vroeger jaren niet gemeenschappelijk ter hand te nemen is het produkt wat vervallen. Door het BRIK programma hebben wij juist het produkt en zijn verwerking nieuw leven ingeblazen. Met succes. Maar produktieafspraken zijn er niet. De saneringsoperatie van met name oktober 1992 hield in feite in het structureel uit de markt nemen van overcapaciteit. Dit leidt weliswaar tot afspraken maar op het moment dat vraag en aanbod met elkaar in overeenstemming zijn, en dat doen ze op dit moment, doet iedereen z’n best z’n eigen markten te bewerken. Dat moet ook wel omdat de Europese Commissie geen kartelafspraken toelaat. De sanering is in goed overleg met de Europese Commissie uitgevoerd. Er bestaat een financiele betalingsregeling voor de financiering van het deel dat structureel gesloten is, maar daarmee is het verhaal af”.

De capaciteit achtten beiden voor het moment voldoende. Heel belangrijk is de afbouw van de veel te grote voorraden. Of dan toch niet nog een zekere overcapaciteit aanwezig is zodat in de toekomst opnieuw bedrijven dicht moeten? Ratering houdt die mogelijkheid voor de verdere toekomst, dus over pakweg tien jaren, niet uitgesloten. “Ik denk dat vraag en aanbod nu redelijk op elkaar zijn afgestemd. Redelijk, omdat er wat signalen zijn dat de Duitse markt, die voor met name de eerste honderd tot honderdvijftig kilometer voor ons ook thuismarkt is, in de loop van dit en volgend jaar wat terug zal vallen. Dit betekent een grotere druk op de export. De Nederlandse markt daarentegen is wat positiever dan wij destijds verwachtten. De overheid wil de bouw van een fors aantal extra woningen en ja, dat heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de thuismarkt”. De Muink Keizer voegt eraan toe de prognose van het EIB te onderschrijven. Dit sprak in oktober vorig jaar als zijn verwachting uit dat over 1994 door de baksteenindustrie 1380 miljoen gevelstenen zullen worden afgezet. “Intern vermoeden wij dat het iets meer zal worden. Rond 1400 miljoen, dus iets minder dan in 1993.”

Meer dan vroeger richt de industrie zich direct tot de architect. Het initiatief hiertoe werd genomen door een interne Herorientatiecommissie die in 1981 rapport uitbracht. Het gaf het antwoord op de vraag wat gedaan moet worden om het produkt in zijn algemeenheid beter te positioneren, te promoten op de markt. Ratering: “Daar hebben we alle segmenten van de markt voor gepakt. We zagen in, dat het niet zozeer gaat om de baksteen maar om de hele gevel. Dit houdt aanpak in van zowel de materiele omstandigheden zoals de ontwikkeling van het twaalf voets pakket, als van verbetering van de werkomstandigheden op de bouwplaats. Daarnaast aanpak van de hele architectonische kant van het verhaal, de opleidingen van metselaars, constructieve elementen ontwikkelen. Daarvoor hebben wij dit alles als industrietak laten zitten. Het produkt verkoopt zichzelf, was zo’n beetje de algemene kreet. Nu verkoopt geen produkt zichzelf in de wereld en dus hadden wij daardoor een stuk markt verloren, vooral in utiliteitsbouw. Om dit verlies te bestrijden, zijn de gemeenschappelijke activiteiten ontstaan en natuurlijk lopen deze programma’s door. Er zijn stukjes afgerond, andere lopen nog. Maar de conclusie mag zijn dat we de afbraak zeker hebben gestopt met dit beleid. Het gebruik van baksteen in de bouwwereld heeft zich nu gestabiliseerd en wij hebben zelf het gevoel dat het zelfs iets stijgende is.”

e Muinck Keizer verwijst naar de veel positievere publikaties over baksteen in de recente jaren. “De laatste jaren staan wij maandelijks, wekelijks in vele bladen met artikelen over met name de resultaten van het Brik-po. Er heeft een duidelijke omslag plaatsgevonden in het beoordelen van en danken over baksteen. Het beeld is duidelijk omgeslagen van traditioneel, verouderd produkt naar een eigentijds, kleurrijk en springlevend materiaal. Dit vertaalt zich duidelijk in een toeneming van het marktaandeel. Zelfs in de u-bouw, waarin ons aandeel jaren achter elkaar terugliep, constateer je sinds een jaar of drie een omslag waarbij van gelijkblijven sprake is naar groei, er wordt meer ontworpen en gebouwd in baksteen. Fantasierijker ook. Wij prikkelen de architecten door hun voorbeelden uit het buitenland aan te reiken in ons magazine Baksteen. Als ik dit doortrek naar de toekomst: dan zal het marktaandeel van baksteen in het bouwvolume toenemen, in het bijzonder in de u-bouw. In de woningbouw zijn wij sowieso marktleider wat de gevel betreft en ik verwacht dat we dit hoge niveau zullen handhaven.”

Ratering valt hem bij in de constatering dat de industrie springlevend is. “Men is innovatief, wil ook innovatief zijn en men is bereid daarin te investeren. Een heel andere mentaliteit dan in het verleden.” De omvorming van vele kleine familiebedrijfjes naar een aantal grotere eenheden speelt hierin allicht een grote rol. Ook de overnames vanuit het buitenland vormt een positief element volgens De Muinck Keizer. “Die buitenlandse concerns konden investeren in een mate die sommige familiebedrijven misschien niet gekund hadden maar bovendien gaf dit een uitstraling van: waarom is men zo geussennteresseerd in de Nederlandse baksteenindustrie? Die was toch ten dode opgeschreven?”

Alsof het goede nieuws niet op kan, lijkt de grondstoffenvoorziening, in het bijzonder die van klei, eindelijk voor jaren verzekerd. Zelfs doken op een gegeven moment geruchten op over een dreigend klei-overschot. De grootscheepse plannen voor natuurbouw in de Gelderse Poort en Fort Sint Andries zouden dit ke veroorzaken.

De Muinck Keizer: “We zitten nu inderdaad in de situatie dat het Wereld Natuur Fonds en andere natuurontwikkelaars ons voorzichtig omarmen. Ook de provincie Gelderland praat vanuit de achtergrond van natuurontwikkeling. Toch geeft dit ook zo zo’n problemen. Als wij alleen mogen graven waar zij dat willen, geeft dit probleem van afstemming. We kijken dus heel positief tegen al deze plannen aan maar wel met bepaalde kanttekeningen erbij. Niet alle klei is baksteenklei en de industrie wil natuurlijk in de eerste plaats goede en geschikte kleien. Maar het is in ieder geval heel fijn dat we terug ke naar de uiterwaarden terwijl dit vijf jaar geleden nog ondenkbaar was. We doen dus in deze poen mee maar vinden dat er niet te hard gelopen moet worden. Het tempo van het WNF is het onze niet. Als dat wordt aangehouden dreigt inderdaad een overschot aan klei te ontstaan.”

Dan zal de kleiprijs instorten met als gevolg dat er net als vroeger weer klei zal ‘verdwijnen’ daardoor zal ook de financiering van de natuurontwikkeling door de kleiopbrengst negatief worden beussennvloed.

Ratering onderstreept dit. “Het WNF rekent met kleiprijzen waarin wij de ontwikkeling van de natuurgebieden meefinancieren. Dat kan in principe ook maar op het moment dat een gigantisch overschot ontstaat – tja, wij ke natuurlijk onmogelijk de produktie aanpassen aan het gewenste natuurinrichtingsplan. Maar ik denk dat we nu in de fase zijn terechtgekomen van onderlinge afstemming, projektgewijs. Laat ik het zo stellen, wij vinden het op zich een leuke ontwikkeling. Projektgewijs werken we er heel graag aan mee omdat het een image verbetering geeft voor de baksteenindustrie als zodanig en omdat we hierdoor wellicht weer uiterwaardenklei ke gaan gebruiken. Kwalitatief zijn die kleien over het algemeen beter dan de binnendijkse waarvan de bewerking tot geschikte baksteenklei veel en veel moeilijker is. Bovendien gaat de natuurontwikkeling ons ook ter harte. Dus er zijn diverse redenen waarom wij positief aan die plannen meewerken. Maar daar zetten we wel onze vraagtekentjes bij.”

De Muinck Keizer wijst op nog een probleem. “Door het enorm toegenomen aantal kleuren en soorten is grotere behoefte ontstaan aan mengkleien. Dit maakt het bakken ingewikkelder en niet altijd gemakkelijker. Ook de Ontgrondingenwet maakt het er niet beter op. Maar we zijn nu uit de verdomhoek van lui, die het landschap verpesten, naar redder van de natuur.”

olgens de voorlopige cijfers werden in 1993 in ons land 1285 miljoen gevelstenen gebakken, teruggerekend in Waalformaat (Wf). De afzet bedroeg 1426 miljoen stenen Wf waardoor de voorraden terugliepen van 441 miljoen eind 1992 tot 270 miljoen eind 1993. Produktie en afzet van straatstenen beliepen 110 miljoen Wf, iets meer dan die in 1992.

De export nam iets toe. Aan gevelstenen gingen 400 miljoen Wf (393 miljoen in ’92) de grens over, aan straatstenen 20 miljoen (was 18 miljoen). De uitvoer richtte zich voor 85 procent op Duitsland en voor de rest voornamelijk op Belgie. Incidenteel gingen partijen naar andere landen zoals Groot Brittannie. In het verleden was deze markt voor de Nederlandse industrie wel eens belangrijker. “Maar de markt is daar zo goed als weggevallen. In Engeland ligt 40 procent van de baksteenfabrieken stil”, zegt Ratering. Hij kan het weten want de Australische Boralgroep heeft er zijn Europese hoofdvestiging. Zelf leidt hij de vasteland-tak Boral Nedusa met zeven fabrieken in Nederland, acht in Duitsland en een in Polen.

Brik-programma zal nooit eindigen. In 1988 zette de in KNB verenigde Nederlandse baksteenindustrie haar Brik-programma op. Het programma is gemaakt voor vijftien jaren, verdeeld over drie tranches. Eind 1993 zat de eerste tranche erop. Dit zegt niet zo veel. Volgens zowel voorzitter ing. A.H. Ratering als directeur drs J.H. de Muinck Keizer van KNB zal BRIK nooit eindigen. Toch wel interessant om een tussenbalans op te maken.

Het probleem bij dit opmaken is de omvang van Brik. Er zitten technische onderdelen in zoals opperen maar ook elementen als duurzaamheid, vormgeving en constructie. Volgens De Muinck Keizer is de leerstoel Stapelbouw aan de TU Eindhoven ook Brik. Zo zijn er meer programma-onderdelen die vermoedelijk lange tijd doorlopen. Dit neemt niet weg dat op het moment een aantal onderdelen zover is afgerond, dat ze in de fase van kennisoverdracht verkeren. Dit geldt vooral voor de onderdelen verlijmen van baksteen en het mechanisch opperen ervan.

n het kader van het laatste is het twaalf voets deelbare pakket ontwikkeld. De omschakeling van de industrie op dit pakket is in 1993 grotendeels een feit geworden. Het tot dusver bekende 11-voetspakket noemt Ratering “een in feite transportpakket. Het vervelende van elf is zijn ondeelbaarheid. Voor een mechanische manier van opperen is dit lastig; het is te moeilijk te splitsen. Eerste stap is gezet met de stapeling op twaalf voetstenen. Volgende stap, en verschillende bedrijven hebben dit al klaar, is de splitsing in vier en acht deelpakketten. Hierdoor kan de gebruiker, de metselaar en/of aannemer, op mechanische wijze delen van het pakket oppakken zonder dat daar de gebruikelijke traditionele handbewerking aan plaats behoeft te vinden. Die ontwikkeling is in volle gang. We willen dat de bouw dit oppikt want het is goedkoper in z’n toepassing vierkante meters muur en in de tweede plaats zullen er minder zieken en wao-ers komen. Dit is natuurlijk moeilijk meetbaar maar we weten dat mechanisch opperen mensvriendelijker is.”

De lopende proefpoen, opgezet met vele instanties waaronder de stichting Arbouw en de Nederlandse Metselaars Patroons Bond (NMPB), worden begeleid door TNO. Uit die poen is een overzicht ontstaan waaruit blijkt dat de verwerking goedkoper is. De Muinck Keizer: “Dit vermoedden we al maar het verbeteren van de arbeidsomstandigheden stond voorop. Daarom werken we ook samen met de Nederlandse Metselaars Patroons Bond en het NVOB. Inmiddels heeft de bouw het 12-voets pakket en het opperen met een kraan geaccepteerd. Dat verbaast ons niet want we hebben het samen met de verwerkers ontwikkeld. Dat is daarom belangrijk omdat innovaties in de bouw nooit slagen wanneer ze niet in samenwerking met de verwerkers worden gedaan. Wij hebben het georganiseerd, voor subsidies van EZ gezorgd, eraan betaald en dat soort zaken maar het is de behoefte van de mensen in de bouw”. Als voorbeeld dat het aanslaat noemt hij de verkoop van driehonderd kraantangen door GSP de Oude Rijn. Nieuwe mechanische (hulp)middelen maken is een kant, de noodzakelijke andere is de opleiding van de mensen die er mee om moeten gaan. Ook daaraan wordt op verschillende fronten gewerkt. Samen met de NMPB wordt een compleet scholingsprogramma opgezet. Dit en nog veel meer komt voort uit de andere benadering van de KNB. ‘Niet meer de steen maar de muur’ vormde enkele jaren geleden al de kreet. “We ke de mooiste baksteen maken maar wanneer die verkeerd wordt toegepast, krijg je alsnog een wanprodukt”, aldus Ratering.

at betreft het verlijmen van baksteen zijn zeven poen afgerond. Het begon met een klimtoren in Maastricht, recent werd voor het sportcomplex De Scheg in Deventer en winkels in Zaanstad gelijmd en bij een schoolgebouw in Haarlem is het in uitvoering. Het begint dus te groeien. De reacties lopen van ’t is helemaal niks tot fantastisch, volgens De Muinck. “Er zijn nu architecten die zeggen we vinden het veel mooier dan met de gebruikelijke voeg. Dat ze nu eindelijk van die twaalf of dertien millimeter voeg af zijn. Deze ontwikkeling hadden we eigenlijk niet verwacht. Twee jaren geleden dachten we aan toepassing in bedrijfshallen op fabrieksterreinen. Dat is niet echt van de grond gekomen maar nu zijn er ineens behoorlijk wat architecten die de methode willen toepassen in kantoorgebouwen omdat ze haar zo mooi vinden. Voor de Coolsingel in Rotterdam is een po in voorbereiding waarbij de architect gelijmde panelen in een soort visgraat wil toepassen en treksterkte zijn beter dan met mortel”. Iedere toepassing levert de broodnodige informatie op, stelt Ratering vast. “Het is leuk om iets te promoten, aan de andere kant stuit je op problemen bij de werkelijke toepassing. Door Brik en andere campagnes is baksteen weer helemaal in beeld waardoor mensen nieuwe mogelijkheden ontdekken.”. We krijgen tegenwoordig veel publiciteit die een geweldige positieve spin off geeft, zegt De Muinck Keizer.

DAAF WIJLHUIZEN

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels