nieuws

Recente Zweedse architectuur in NAi

bouwbreed

De belangstelling voor de architectuur in Scandinavie wisselt per land en in de tijd. In het Nederlands Architectuur-instituut (NAi) wordt vandaag een expositie geopend over de twintigste eeuwse architectuur in Zweden. Op de zolder van het NAi hangen foto’s die een beeld geven van de wisselende trends in de Zweedse architectuur.

De Zweedse architectuur heeft altijd regionale trekjes gehad, maar om van typische Zweedse architectuur te spreken is moeilijker. Dat geldt tot op zekere hoogte voor alle vier de Scandinavische landen, die onderling zekere overeenkomsten tonen in de recente bouwkunst. Maar Zweden onderscheidt zich toch weer van Denemarken, Finland en Noorwegen. En in grote lijnen kan men stellen dat Scandinavie weinig in architectuur-trends voorop liep. In voorgaande eeuwen ontwikkelde Noorwegen karakteristieke houtarchitectuur zoals Stav-kirken, Finland bijna naieve kerkjes van ter plaatse gevonden brokken natuursteen en aan de Stav-kirkje verwante houten kerkjes, terwijl in Denemarken met de witte landschapskerkjes een eigen bouwvorm ontwikkelde.

De twintigste eeuw ving aan met het noordelijk classicisme, dat in de vier landen uiteenlopend werd uitgewerkt. In Zweden was het een abstract functionalisme. Gunnar Asplund ontwierp de markante stadsbibliotheek en het crematorium in Stockholm. Het abstraheren van zuilen tot vrijwel ornamentloze kolommen waren er voorbeeld van. Maar in andere details herkende men heel veel aandacht voor het ‘doorwerken’ van zijn ontwerpen. Die aandacht voor details, en voor de materiaalkeuze met respect voor de eigen structuur is karakteristiek voor de noordelijke landen.

Het stadhuis van Stockholm uit 1915 van architect Ragnar f. stberg is een karakteristiek voorbeeld van Zweedse baksteenarchitectuur dat tamelijk uniek was en in ons land veel indruk op architecten maakte. Het stadhuis in Enschede kreeg een toren die daar op is geinspireerd. Lezingen van Bauhaus-directeur Walter Gropius vormden in 1928 een sterke impuls vanuit het Nieuwe Bouwen. Dat kwam vooral tot uitdrukking in de ‘Stockholmexpositie’ in 1930. Het vormde de aanvang van een moderne periode.

Achteraf gezien is het opmerkelijk, als men zich realiseert dat de ontwikkeling in de Zweedse architectuur wat hinkelend plaats vond: want de inspiratie vanuit het Nieuwe Bouwen kruiste de periode van het neo-classicisme.

Zweden bleef tussen 1940 en 1945 neutraal waardoor de ontwikkeling wat geleidelijker plaats vond dan in veel Midden-Europese landen. Daarbij vielen vooral enkele architecten op die na 1945 richtinggevend bleken.

Sigurd Lewerentz was er een voorbeeld van. Een hoogtepunt in zijn werk vormde de specifieke kerk uit 1960 in Stockholm-Bjorhagen. Enerzijds nam de architect de baksteencultuur over vanuit bijvoorbeeld het al genoemde stadhuis, maar op eigentijdse wijze met heel specifieke details in het materiaalgebruik. Daar was Lewerentz aan het begin van de jaren zestig niet de enige in, maar andere kerken in Stockholm waren na het zien van deze markante baksteenarchitectuur eigenlijk niet interessant meer, tendeerden wellicht ook wat naar minder interessante trends in Midden-Europa.

Lewerentz daarentegen vond geeigende vormen die goed in metselwerk waren te realiseren met licht gebogen wand en troggewelven voor de dakconstructie. Zo ontstond een zeldzame eenvoud in materiaalgebruik met heel originele details.

Dat dat typisch Zweeds is, bleek voor mij ook uit de kerk van Bertil Engstrand in Helmstad. De golvende dakvorm gaat plaatselijk bijna naadloos over in de wanden er onder, geheel uitgevoerd in een sandwichconstructie met roestvrij staal aan de buitenzijde. Beide Zweedse kerken hebben een consequent materiaalgebruik gemeen, waardoor het hele gebouw een sterke eenheid uitademt. Het zijn schoolvoorbeelden van overtuigend gedetailleerde architectuur.

De Zweedse woningbouw heeft soms parallellen met Midden-Europa. In de jaren zestig vloog Cobouw de lezers met vliegtuigen vol naar Stockholm. In de tijd dat wij de Bijlmer ontwikkelden, was het opmerkelijk om een ovale complex woningen te zien, midden in de natuur van een buitenwijk in Stockholm. En we keken onze ogen uit in de vroegste overdekte winkelcentra, niet zo overzichtelijk als De Lijnbaan en in meerdere verdiepingen met hellingbanen.

Belangrijk is het werk van de Brits/Zweedse architect Ralph Erskine. Hij bouwde veel in Groot Brittannie en is ook bij de meervoudige ontwerpopdracht voor het NAi in 1988 uitgenodigd, maar was alleen in een directe opdracht geinteresseerd. Een van de redenen om Erskine te vragen lag in zijn ontwerp voor de universiteit in Stockholm met een prachtige bibliotheek. Maar Erskine heeft vooral veel stedebouw en woningbouw gerealiseerd.

Het is interessant dat de expositie van het Zweedse architectuurmuseum nu een overzicht brengt van twintigste eeuwse architectuur.

Maar echt Zweedse trekken treft men er pas aan bij gedetailleerde beschouwing. Vaak waren de budgetten iets minder karig, hetgeen terecht in relatie tot de economie en ook de hoogte van de huren is gebracht, in zowel een begeleidende brochure als een luxe catalogus met vooral veel kleurenfoto’s.

Daarmee is de expositie een uitgesproken visuele happening, zonder al te veel achtergrondspitterij. Dat wilde men in Stockholm zo en met die beperking is het materiaal ook toegankelijk.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels