nieuws

Bouwprogram in Limburg van ondergeschikt belang

bouwbreed

“Wat het bouwprogramma voor Limburg is?” Henk Klaren, inspecteur volkshuisvesting voor de regio Limburg denkt even na, en zegt: “Weet je, dat is voor mijn werk eigenlijk niet zo van belang.

Hij houdt zich -overigens geheel conform de nieuwe opzet van de inspectie- veel meer bezig met het houden van de vinger aan de Limburgse volkshuisvestingspols. Dan gaat het bijvoorbeeld om coordinatie, inventarisatie en voorlichting. “En handhaving van de regelgeving natuurlijk. Dat vergeet ik wel eens, maar dat komt omdat het zo vanzelfsprekend is.”

Limburg moet voor een volkshuisvester uit het westen welhaast een paradijs zijn. Er is geen sprake van een groot woningtekort, de kwaliteit van de woningvoorraad is, ondanks de recente overstroming, in het algemeen goed, en er is vrijwel geen leegstand. “Je zou inderdaad ke zeggen dat het een comfortabele situatie is”, erkent Klaren, om daar direct waarschuwend op te laten volgen: “maar dan laat je jezelf wel in slaap sussen.”

Problemen, ook al hebben ze een andere omvang, zijn er namelijk wel degelijk. Dan gaat het bijvoorbeeld om de conflicterende belangen van het volkshuisvestingsbeleid en de ruimtelijke ordening. “Het rijk en de provincie gaan uit van stedelijke ontwikkeling en voeren een restrictief beleid ten aanzien van het platteland”, legt Klaren uit. “Die uitgangspunten botsen echter met zaken als het instandhouden van de leefbaarheid op het platteland en het bouwen voor de behoefte van de ‘eigen’ bevolking op het platteland. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat grote gemeenten een taakstelling hebben die ze amper ke halen, terwijl de kleintjes met maxima worden geconfronteerd die vervolgens prompt worden overschreden.”

Verkeerde keuzes

Daar komt nog bij dat aan die overschrijdingen verkeerde keuzes ten grondslag liggen.

“Er worden veel dure woningen gebouwd in de vrije sector, niet zozeer voor de autochtone bevolking maar veel meer als lokkertje voor stedelingen. Dat moet je niet doen, vind ik. Elders is het platteland ook mooi, maar hier in Limburg is het wel heel erg mooi. Waarom zou je dat dan gaan verprutsen met allerlei semi-stedelijke ontwikkelingen?”

De kleinere gemeenten moeten dus niet de concurrentie aangaan met de grote gemeenten, meent Klaren.

En feitelijk geldt voor de groten precies hetzelfde. “Die moeten niet proberen te concurreren met de grote door in stedelijk gebied landelijk te bouwen. Voor gemeenten is het best aantrekkelijk om vrijstaande woningen op grote kavels te bouwen, maar dan praat je natuurlijk niet meer over stedelijke ontwikkeling. Neem nu het plan Venlo Centrum-Zuid, dat uitgaat van 24 woningen per hectare. Dat is gewoon een imitatie van een dorp als Maasbracht.”

Volgens Klaren doen gemeentebesturen er verstandiger aan te kiezen voor de eigen kracht. “Op dit moment is er bijvoorbeeld een terugkeer merkbaar naar de stad. De truc is nu om op die behoefte in te spelen door gebruik te maken van de sterke punten van de stad zelf. Ik geloof niet dat mensen, die voor de stad hebben gekozen, in zo’n dure twee-onder-een-kap-woning met garage willen wonen. Zij hebben hun prioriteiten ergens anders liggen: dicht bij het werk, de winkels of in de buurt van het station. Dat zijn duidelijke voordelen van een stad, en die moeten maximaal worden benut.”

Speerpunten

Evenals zijn collega-inspecteur Ruud Bergh van de regio Noord-Holland en Flevoland, beschouwt Klaren het in de volle breedte bekend maken van het nieuwe volkshuisvestingsbeleid en de bijbehorende regelgeving als een van de speerpunten van beleid.

Want met die bekendheid is het ook in Limburg niet altijd even best gesteld, constateert hij. “Er is een sterk verband tussen grootte en begrip van de materie. Een paar grote corporaties lopen keihard tot te hard, wat voor ons overigens aanleiding is te onderzoeken hoe de activiteiten van deze corporaties zich verhouden tot hun sociale doelstelling. Maar er zijn nog niet zoveel corporaties die zich helemaal laten meeslepen door de mogelijkheden die de nieuwe regels te bieden hebben. Sommigen mogen nu wel eens wat harder gaan lopen.”

Huisvestingswet.

Bij de gemeenten is het van hetzelfde laken een pak. “Neem nu de nieuwe Huisvestingswet. Die is in juli 1993 van kracht geworden. We hebben na zes maanden geinventariseerd hoe de gemeenten daarmee zijn omgegaan. Op zijn zachtst gezegd: men bleek niet bijzonder actief te zijn geweest. In Midden-Limburg bijvoorbeeld was er maar een van de negentien gemeenten die een nieuwe huisvestings-verordening had: Roermond.”

Klaren noemt een ander voorbeeld. “In het kader van het Besluit Beheer Sociale Huursector hebben gemeenten de eerste verantwoordelijkheid voor het toezicht op de corporaties. Ik heb nog niet gemerkt dat men daar nu zo vreselijk druk mee bezig is. Op dit moment is dat nog niet zo erg, maar medio 1994, als de jaarverslagen komen, moet men wel aan de bak.

Blijkbaar is er een grote behoefte aan kennis en voorlichting. Daar zullen onze inspanningen in de toekomst dan ook nadrukkelijk op moeten worden gericht.”

Asielzoekers

De opvang van asielzoekers vormt voor Klaren’s inspectie een ander belangrijk speerpunt van beleid. “Vrijwel alle gemeenten hebben toegezegd aan hun taakstelling voor de statushouders te zullen voldoen. Het gaat dus niet slecht. Limburg is ook nog niet vol. Maar we blijven het desondanks hardnekkig volgen.”

Dat dit nodig is, blijkt wel uit het feit dat niet alle gemeenten hun toezeggingen nakomen. “Het blijkt stevig tegen te vallen”, aldus Klaren, “wat reden is voor de inspectie om gemeenten en corporaties nadrukkelijk op de door hun gedane toezeggingen aan te spreken.”

De ophef die sinds de jaarwisseling over de huisvesting van asielzoekers en het toenemende woningtekort is ontstaan vindt Klaren overdreven. “Waar gaat het nou helemaal om? Het gaat om een Nederlander die al in een huis woont en gemiddeld twee maanden langer moet wachten op een betere woning versus iemand die tenauwernood het vege lijf heeft weten te redden en in een asielzoekerscentrum zit. Dat vind ik niet echt met elkaar te vergelijken.”

Volgens de inspecteur moet Nederland onder ogen zien dat de opvang van asielzoekers nog wel even op de agenda zal blijven staan. “Je kunt je natuurlijk voorstellen dat er zomaar ergens de vrede uitbreekt. dat zou weer wat schelen, maar ik ben niet zo optimistisch. Ik denk dat men onder ogen moet zien dat de huisvesting van asielzoekers en statushouders een structurele taak is en blijft van rijk, provincies, gemeenten en de sociale verhuurders.”

Gelukkig, zo constateert Klaren, is het maatschappelijk draagvlak voor de opvang van asielzoekers nog vrij groot. “Want ik weet niet of ik nog wel in Nederland wil blijven wonen als dat niet het geval zou zijn.”

Henk Klaren: “Blijkbaar is er een grote behoefte aan kennis en voorlichting.”

Jup van de Wal

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels