nieuws

Twee vliegen in een klap

bouwbreed

De opdrachtgever van een bouw, die schade meent te lijden als gevolg van fouten van zowel architect als aannemer, kan beiden aanspreken voor de vergoeding van die schade. Hij kan natuurlijk proberen een van hen tot vergoeding van zijn gehele schade veroordeeld te krijgen, maar dan loopt hij de kans dat hij maar een gedeelte toegewezen krijgt, omdat arbiters vinden dat ook de ander schuld heeft aan die schade.

Mr. Math Verstegen

Het lijkt dus verstandig dat hij beide schuldigen voor de schade aanspreekt, maar dan komt hij doorgaans bij twee verschillende arbitrage-instituten terecht: de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven en het Arbitrage Instituut Bouwkunst. Hij loopt dan wel de kans dat er tegenstrijdige uitspraken worden gedaan. Dat kan voorkomen worden als hij met aannemer en architect afspreekt, dat de behandeling van beide vorderingen wordt samengevoegd, zodat een van beide scheidsgerechten beide zaken kan behandelen.

De opdrachtgever van de bouw van een landhuis sprak zowel zijn architect als zijn aannemer aan voor het krimpen en scheuren van de schroten in de plafonds van zijn keuken en alle kamers op de verdieping. De architect had in zijn ontwerp voorzien in een plafondafwerking van wit-gelakte grenen schroten. Bij het aanbrengen daarvan constateerde de bouwheer, dat op de verdieping schroten met randnoesten zaten. Toch scheen er bij de oplevering geen enkel probleem te zijn met die schroten-plafonds want toen was er niets op aan te merken.

Na een maand echter zag de nieuwe landhuis-eigenaar, dat de schroten begonnen te krimpen en zelfs hier en daar scheurden. Dat berichtte hij nog binnen de overeengekomen onderhoudstermijn van twee maanden aan zijn architect, die de brief doorspeelde aan de aannemer. Dat was de aanleiding voor een gesprek met die laatste, waarbij ook de timmerman en zelfs de houtleverancier aanwezig waren. Dit overleg leidde echter nergens toe, zodat de eigenaar de Vereniging Eigen Huis inschakelde. Die vond dat de schroten van onvoldoende kwaliteit waren en dat de plafonds een onaanvaardbaar storend beeld opleverden.

Met dat rapport in de hand voelde de landhuis-bewoner zich sterk genoeg om een tweede gesprek met zijn aannemer aan te gaan; die was toen bereid om over de schroten heen kunststof schroten aan te brengen; eventueel schilderwerk moest dan wel voor rekening van zijn opdrachtgever komen. Maar die wilde dat niet zonder meer accepteren.

De zaak kwam voor de Raad van Arbitrage omdat de aannemer betaling eiste van de opleveringstermijn en voor het meer- en minderwerk, totaal ruim tienduizend gulden. Die eis werd meteen gepareerd door een tegenvordering van zijn opdrachtgever tot vergoeding van de schade aan de plafonds. Die begrootte hij op – 58.340 en dat was dus heel wat meer dan het bedrag dat de aannemer nog wilde hebben. Tegelijk met die tegenvordering eiste de landhuiseigenaar van zijn architect hetzelfde bedrag. Door de toepasselijke SR 1988 moest hij die vordering instellen bij het Arbitrage Instituut Bouwkunst, zodat de kans op twee tegenstrijdige uitspraken niet denkbeeldig was.

Gelukkig ging de architect er mee akkoord dat ook de schadevergoedingseis tegen hem door de Raad van Arbitrage behandeld werd. Maar of hij achteraf niet liever zijn eigen instituut over die claim van zijn opdrachtgever had laten oordelen, weet ik niet. De arbiter van de Raad was hem niet zo gunstig gezind, want hij verweet hem eerst nalatigheid in het toezicht op het aanbrengen van de schroten en verwierp ook nog zijn beroep op de beperking van zijn schadevergoedingsplicht tot het bedrag van zijn honorarium ad – 5000. Artikel 60, tweede lid van de SR 1988 zegt immers, dat bij een niet-volledige opdracht de door de architect te vergoeden schade daartoe beperkt is.

Voor de arbiter moest hij echter toegeven, dat hij bij de bouw van het landhuis alle vijf fasen, die bij een volledige opdracht gelden, had doorlopen. Het feit dat hij bij de uitvoering maar enkele keren op het werk geweest was, betekende volgens de arbiter niet, dat de vijfde fase, het voeren van de directie tijdens de uitvoering, niet meegeteld kon worden. De mate van het toezicht, dat op grond van het voeren van de directie uitgeoefend moet worden, is dus niet bepalend voor de omvang van de aansprakelijkheid van de architect. Anders zou de architect, die wel belast is met het toezicht op de uitvoering, maar zich daaraan weinig gelegen laat liggen, voor een lager bedrag aangesproken ke worden dan hij die tijdens het gewetensvol toezicht houden een foutje maakt.

Niet alleen de architect, ook de aannemer was aansprakelijk voor de schade aan de plafonds, zei de arbiter, al leek het daar in het begin van de procedure niet op. De arbiter vond namelijk, dat dit soort schroten best gebruikt kon worden voor de afwerking van de plafonds. Maar omdat zowel architect als aannemer zeiden, dat zij er negatieve ervaringen mee hadden, mocht van hen verwacht worden dat zij een andere werkwijze hadden toegepast. Met die werkwijze kan de arbiter niet de manier van aanbrengen van de plafonds hebben bedoeld, want daar had hij geen enkele aanmerking op. Ook de kwaliteit van de schroten kon er kennelijk mee door, want zelfs de paar zichtbare randnoesten maakten ze best acceptabel. Het geheel hoefde dan ook alleen maar met wat schuur- en schilderwerk toonbaar gemaakt te worden en dat kostte slechts – 9400, minder dan eenzesde van het door de huiseigenaar gevorderde bedrag.

Dat aan laatstgenoemde toegewezen bedrag diende door architect en aannemer gelijkelijk betaald te worden, want zij waren volgens de arbiter evenveel te kort geschoten. De architect omdat hij nalatig was geweest in het toezicht toen hem door zijn opdrachtgever was verzocht in te grijpen op het moment, dat de timmerman begon met het aanbrengen van de schroten; de aannemer omdat hij na zijn eerdere ervaring een betere uitvoering had moeten kiezen.

Dat is, op zijn zachtst gezegd, een merkwaardige motivering voor de aansprakelijkheid van beiden. De schade was immers niet veroorzaakt door de wijze van aanbrengen van de schroten en ook niet door de kwaliteit van het hout. Waarschijnlijk, en de arbiter geeft dat zelf ook aan, was de extra krimp het directe gevolg van het voluit stoken door de bewoner direct nadat die zijn landhuis betrokken had. Maar of je dat aan de architect en aannemer kunt verwijten?

(BR 1994 p. 969)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels