nieuws

Voorzichtigheid geboden met eindafrekening

bouwbreed

Partijen bij een aannemingsovereenkomst doen er verstandig aan een regeling te treffen over de verrekening van het meer- en minderwerk. Dat ke zij doen door de regelingen daarover in de standaardvoorwaarden van toepassing te verklaren. De twee meest gebruikte, de U.A.V. voor werken, die onder directie worden uitgevoerd en de AVKA voor kleine aannemingen, bevatten daarover bepalingen. Maar partijen realiseren zich de consequenties.

Zo zeggen de U.A.V. dat de verrekening van het meerwerk ineens na de voltooiing van het meerwerk geschiedt en die van het minderwerk pas bij de eindafrekening. De AVKA daarentegen zegt dat zowel het meer- als het minderwerk door de aannemer in de eindafrekening gespecificeerd worden verwerkt.

De aannemer, die bij een wat omvangrijker bouw onder de AVKA-regeling rekening houdt met de mogelijkheid dat hem een aanzienlijke hoeveelheid meerwerk wordt opgedragen, doet er dus verstandig aan vooraf een betalingsregeling over dat meerwerk te treffen met zijn opdrachtgever. Maar ook onder de U.A.V. dient men voorzichtig te zijn met de regeling, die men met het van toepassing daarvan verklaren, impliciet over de verrekening van meer- en minderwerk is overeengekomen.

Dat geldt in ieder geval voor de aannemer, die zich na het voor akkoord ondertekenen van de eindafrekening kennelijk niet realiseerde, dat hij nog meer dan een half miljoen te vorderen had van de gemeente, waarvoor hij een aantal gebouwen gesloopt had.

Omdat de gemeente niets meer wilde betalen dan de ruim anderhalf miljoen gulden, die het bedrag vormden van de aanneemsom plus het saldo van het meer- en minderwerk, werd de zaak door de aannemer voor de Raad van Arbitrage gebracht. De aannemer eiste behalve de extra kosten die hij had gemaakt door de onverwachte hoge waterstand en het moeten verwerken van meer puin dan hij had verwacht ook nog bijbetaling van de uitvoeringskosten over de (kennelijk met de gemeente overeengekomen) verlenging van de uitvoeringstermijn en terugbetaling van de korting, die door de gemeente op de aanneemsom was ingehouden.

Zonder enige twijfel kon de gemeente die korting niet ingehouden hebben op grond van de U.A.V.-bepaling over de verrekening van meer- en minderwerk; dat zal ongetwijfeld gebeurd zijn met een beroep op zijn bevoegdheid daartoe wegens te late oplevering van het werk. We lezen in het arbitrale vonnis niet om welk bedrag die korting ging, maar aangezien de overschrijding van de overeengekomen uitvoeringsduur niet meer dan 14 dagen bedroeg, zal het niet om zo’n fors bedrag gegaan zijn, tenzij de gemeente een veel hoger bedrag dan de – 75 per dag van de U.A.V. had bedongen.

Het door de aannemer alsnog gevorderde bedrag zal dus wel voornamelijk gebaseerd zijn geweest op de extra uitvoeringskosten die hij had moeten maken. De gemeente had een definitieve staat van het meer- en minderwerk opgesteld. Kennelijk zonder die nauwkeurig met zijn eigen gegevens te vergelijken had de aannemer die staat ondertekend en dat bleek hem achteraf een hoop geld te kosten.

Toen de gemeente dat stuk aan de arbiter liet zien kon de aannemer moeilijk ontkennen dat hij hem niet getekend had; de beste verklaring voor zijn handtekening was, dat hij die had gezet om in ieder geval het door de gemeente berekende bedrag betaald te krijgen. Daarna had hij dan het verschil tussen zijn eigen berekening en die van de gemeente willen vorderen, zoals hij nu in feite ook deed.

Maar met dat verhaal schoot hij bij de arbiters niets op; die constateerden dat de aannemer bij de ondertekening van de definitieve staat van meer- en minderwerk geen enkel voorbehoud had gemaakt. Pas vijf maanden later bestreed hij de juistheid van dit stuk en dat was volgens de Raad te lang om er nog op terug te komen. Binnen welke termijn dat dan nog wel had gekund zeggen de arbiters niet, maar ik denk dat zij ook niet wilden suggereren, dat het binnen een kortere termijn wel had gekund. Misschien was het daarom beter geweest te zeggen dat men in het algemeen niet kan terugkomen op het zetten van een handtekening, zeker niet als dat gebeurd is op grond van zo’n onjuiste gedachtengang.

Wat onze aannemer wel had moeten doen, vertelden de arbiters hem duidelijk: de U.A.V. geeft hem recht op betaling van het u “ontwijfelbaar” toekomende voordat de eindafrekening is opgesteld. In plaats van in een onnadenkende bui zijn handtekening te zetten onder de berekening van de gemeente had hij betaling van het bedrag, dat hij volgens zijn eigen berekening van de gemeente moest krijgen, moeten claimen. In dat geval had hij op betaling binnen vier weken na oplevering ke rekenen.

Maar sloegen de bedragen die de aannemer alsnog betaald wilde hebben wel op meer- of minderwerk? Zo niet, dan zouden ze, zo redeneerde de man zelf, alsnog buiten de staat van meer-/minderwerk om verrekend ke worden. Nee, zeiden de arbiters: twee van de vier posten komen ook in die door u ondertekende staat voor. Die kosten van termijnverlenging en die korting wegens termijnoverschrijding hebt u zelf erkend. Daarmee was de vraag of die korting iets met meer- of minderwerk te maken had helemaal van de baan; de aannemer had zich zelfs met de korting op de aannemingssom akkoord verklaard en daar kon hij nu niet meer op terugkomen. De andere twee vorderingen hadden wel betrekking op meerwerk, maar het ondertekenen van de staat, waarop dat meerwerk niet voorkwam hield in dat de aannemer definitief afstand had gedaan van zijn recht op betaling voor dat meerwerk, zo beslisten de arbiters.

Het wat erg gemakkelijk zetten van een handtekening onder een eindafrekening kan, zo leert ons dit vonnis van de Raad, grote financiele gevolgen hebben. Precies – 543.244,12 scheelde dat hier onze wat makkelijk tekenende aannemer.

(BR 1994 p.788)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels