nieuws

Overheid stimuleert inzet vernieuwbare grondstoffen

bouwbreed

Er worden weinig ‘vernieuwbare’ grondstoffen in de bouw gebruikt. Toch is de toepassing van deze materialen nu reeds mogelijk. De landbouw en bosbouw zijn ermee gebaat, en de milieubelasting neemt erdoor af. Naast het terugdringen van het gebruik en het hergebruik van ‘eindige’ grondstoffen gaat de overheid de toepassing van vernieuwbare grondstoffen sterk stimuleren.

Dat zijn de conclusies in het rapport ‘Vernieuwbare grondstoffen voor de bouw’, opgesteld door Woon/Energie te Gouda. Het onlangs uitgegeven rapport is gebaseerd op onderzoek in opdracht van het ministerie van VROM, in het begin van de jaren ’90.

Uit het voorwoord door drs. R.J.J. Roemers, hoofd afdeling Bouw van het ministerie van VROM-DGM, blijkt de actualiteit van het rapport. Binnen het Milieuberaad Bouw (MBB) wordt namelijk het po ‘Vernieuwbare grondstoffen voor de bouw’ uitgevoerd, met als eerste inzet 20% meer gebruik van niet-tropisch hout in de bouw in 1995. In het kader van dit project wordt ook de toepassing van uit de landbouw afkomstige grondstoffen gestimuleerd.

“Het rapport van Woon/Energie biedt een eerste overzicht van vernieuwbare grondstoffen die in de bouw ke worden toegepast. Het vormt een wezenlijke bijdrage aan de beeld- en oordeelsvorming over vernieuwbare grondstoffen en hun mogelijkheden voor de bouw”, aldus Roemers in het voorwoord.

Trendbreuk nodig

‘Vernieuwbare’ grondstoffen zijn bijvoorbeeld wol, katoen, vlas, hennep, stro, riet en hout. Het zijn materialen die bij een goed beheer binnen een kort tijdsbestek opnieuw geproduceerd ke worden. Dit in tegenstelling tot ‘eindige’ grondstoffen, die na gebruik ‘op’ zijn en niet binnen korte tijd terug ke komen. Te denken valt bijvoorbeeld aan olie en oppervlaktedelfstoffen zoals grind, zand en klei.

Een van de beleidshoofdlijnen in de Milieutaakstellingen Bouw 1995 betreft de stimulering van de inzet van vernieuwbare grondstoffen. Dat is, omdat deze grondstoffen uitstekend passen bij de ‘kringloop’-gedachte. Er is in de bouw een ‘trendbreuk’ noodzakelijk ten gunste van vernieuwbare grondstoffen. Het overheidsbeleid is daarom gericht op introductie en brede acceptatie van produkten van vernieuwbare materialen. Opdrachtgevers en architecten moeten de produkten leren kennen, de kwaliteit ervan moet gewaarborgd worden en de uitvoerende bouw moet de produkten leren verwerken en onderhouden.

Constante kwaliteit

Volgens het rapport werd in de jaren ’80 per jaar 2,5 miljoen m3 vernieuwbare grondstof toegepast in de woning- en utiliteitsbouw, met een gewicht van ruim 1,9 miljoen ton. Dat is ca. 3% van alle in de bouw gebruikte grondstoffen. Het grootste deel bestaat uit hout. De andere vernieuwbare materialen zoals riet, stro, kurk en lijnolie worden slechts op zeer kleine schaal toegepast.

Het blijkt goed mogelijk om met vernieuwbare grondstoffen produkten voor de bouw te vervaardigen, zonder gebruik van chemische middelen. Van de produkten die in het rapport genoemd worden voldoen zes aan alle milieu- en markttechnische criteria. Het zijn het vurehouten Eurokozijn, het larikshouten kozijn, lijnolie, vlasspaanplaat, vlasvezelboard en linoleum.

Certificatie

Andere produkten voldoen in mindere of meerdere mate. Het zijn onder andere strovezelboard, stroleem, rietplaten en isolatiemateriaal van kokos. Volgens het rapport zijn een goede produktontwikkeling en een systeem voor garanties en certificatie noodzakelijk. Dat geldt juist voor vernieuwbare materialen, omdat natuurlijke produkten van minder constante kwaliteit ke zijn dan produkten van synthetische grondstoffen.

In het rapport staat een aantal factoren die de introductie van vernieuwbare produkten belemmeren. Allereerst is er de onbekendheid bij architecten en opdrachtgevers. Vervolgens zijn er onvoldoende garanties en certificaten, in combinatie met een negatief imago van de produkten. Tenslotte zijn vernieuwbare produkten over het algemeen duurder dan niet-vernieuwbare. De milieubelasting is echter altijd veel geringer, bij zowel de produktie, de fabricage als de verwerking.

Aan de kant van de bosbouw en landbouw zijn ook belemmeringen. Er is onvoldoende samenhangend beheer, te weinig produktontwikkeling en teveel variatie in de kwaliteit van de grondstof. Daarbij komt dat de industrie die de vernieuwbare grondstoffen verwerkt dikwijls weinig financieel draagkrachtig is. Om die belemmeringen op te heffen is een krachtig overheidsbeleid nodig. In het rapport wordt gepleit voor experimenten en samenwerkingsverbanden. Er is bovendien nog veel onderzoek nodig, zowel naar de hoeveelheid bruikbare landbouwgrond als naar de gebruiksmogelijkheden van de produkten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels