nieuws

Rijk goedkoper uit met woonzorgcomplexen

bouwbreed

De volkshuisvesting en de zorgsector zijn met woonzorgcomplexen goedkoper uit dan met de klassieke vormen van ouderenhuisvesting via aanleunwoning, verzorgingstehuis en verpleegtehuis.

De kosten voor het wonen zijn weliswaar hoger, maar daar staat tegenover dat fors kan worden bespaard op de kosten van de zorg. Dit constateert de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) in de overzichtsbrochure ‘Tussen wonen en zorg, 1990-1993’.

In de publikatie wordt verslag gedaan van activiteiten en bevindingen van de SEV na drie jaar experimenteren met woonzorgpoen voor ouderen.

De basis voor de huidige woonzorgcomplexen werd door het ministerie van WVC zelf gelegd in 1987, zo blijkt uit de SEV-publikatie.

Toen werd het substitutiebeleid ingezet, in het kader waarvan intramurale zorg mocht worden vervangen door extramurale zorg. Dat betekende dat de subsidies voor ouderenzorg ook mochten worden ingezet buiten de muren van verzorgings-tehuizen, wat door diverse instellingen ook werd gedaan.

De term ‘woonzorgcomplex’ wordt pas de laatste vijf jaar gebruikt. Het gaat hierbij om een geconcentreerde, sociaal beschermde woonvorm van zelfstandige woningen voor (licht-)zorgbehoevende ouderen. Aan het wonen is een variabele zorg-garantie gekoppeld, die een uiteindelijke verhuizing naar een tehuis onnodig maakt. Volgens de SEV kan het woonzorgcomplex worden geplaatst tussen enerzijds de klassieke hof- en aanleunwoningen (in de vrije sector zijn dat de serviceflats) en anderzijds het verzorgings- en verpleegtehuis.

Uit een onderzoek is gebleken dat er begin 1993 ongeveer 100 woonzorgcomplexen bestonden met in totaal circa 8000 woningen. Daarnaast zijn er nog enkele honderden nieuwe poen met zogeheten ‘steunpunt-woningen’. Hierbij is geen koppeling gemaakt tussen huurcontract en zorg, maar gaat het om ouderenwoningen die in de buurt van een diensten- en zorgcentrum zijn gebouwd.

SEV-experimenten

Sinds 1990 heeft de SEV de 24 meest vernieuwende poen in haar experimentenprogramma opgenomen. Daarbij ging het om acht poen uit de periode 1987-1989 met vrij kleine, zelfstandige wooneenheden (45-50 m2), acht poen uit de periode 1990-1992, drie poen in de vorm van steunpunt-achtige dependances en vier poen in de goedkopere vrije sector. Deze laatste groep poen is overigens nog niet geevalueerd.

Uit de evaluatie van de overige poen is gebleken dat de woningkwaliteit goed is. ‘De kwaliteit van volwaardige zelfstandige seniorenwoningen is gerealiseerd, niet meer en niet minder’, stelt de SEV vast.

Wel moet worden geconstateerd dat bij sommige poen de gemeenschappelijke ruimten te groot zijn. Volgens de SEV moeten subsidieverleners (provincies en gemeenten) toezien op een scherpere programmering van de gemeenschappelijke ruimten en voorzieningen.

De kwaliteit van de geboden zorg is ruimschoots voldoende, maar desondanks betwijfelt de SEV of een woonzorgcomplex voor iedere tehuisbewoner wel een passend alternatief is. ‘De doelgroep bestaat uit de net iets meer geemancipeerde, zelfredzame oudere.’ Er is daardoor, aldus de SEV, sprake van een bovengrens aan het zinvol ‘zelfstandig beschermd wonen’.

Financiering

In oktober 1993 kwamen de woonzorgcomplexen aan de orde in de Tweede Kamer. Deze boog zich toen over de financiering van de woonzorgcomplexen. Minister d’Ancona en staatssecretaris Simons van WVC en staatssecretaris Heerma , die vreesden voor een onbeheersbare kostenontwikkeling als gevolg van een grote toename van het aantal woonzorgcomplexen, hadden voorgesteld bewoners van deze complexen en van aanleunwoningen in beginsel niet meer in aanmerking te laten komen voor individuele huursubsidie.

Een meerderheid in de Kamer ging niet akkoord met de voorstellen, omdat ouderen op die manier in een uitzonderingspositie terecht zouden komen. Daarop trokken de bewindslieden dit voorstel in.

Hoewel het rijk daar kennelijk anders over denkt, merkt de SEV in haar brochure op dat VROM en WVC samen goedkoper uit zijn met de relatief nieuwe woonzorgcomplexen dan met de bestaande vormen van ouderenhuisvesting. De besparing op de zorg weegt ruimschoots op tegen de extra kosten voor de huisvesting. Het geheel is daardoor per saldo goedkoper.

De SEV merkt verder op dat het niet zo is, dat bewoners van een woonzorgcomplex voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. ‘Zij betalen meer voor het wonen dan hun lotgenoten die in een tehuis wonen, maar krijgen daar ook veel meer voor terug; voor de zorg betalen ze minder, maar ze ontvangen gemiddeld genomen ook minder zorg.’

Zelf is de SEV voorstander van een soortgelijk systeem als het huidige. Dat wil zeggen dat van een woonzorgcomplex de woonfunctie voor rekening komt van het ministerie van VROM komt en dat de zorg ten laste wordt gelegd van de AWBZ.

Toekomst

Voor de toekomst van woonzorgcomplexen hoeft volgens de SEV niet te worden gevreesd. ‘De stormachtige ontwikkelingen van de laatste vijf jaar zullen zich, in gewijzigde vorm, de komende vijf jaar voortzetten. De SEV verwacht veel nieuwe experimenten.’

Daarbij zal met name de vrije sector in beeld komen. Hoewel er tot op heden nog maar weinig woonzorgcomplexen in de vrije sector zijn gerealiseerd, mag volgens de SEV worden verwacht dat marktpartijen dit gebied tussen wonen en zorg in toenemende mate gaan betreden.

Woningcorporaties zullen zich in eerste instantie beperken tot het bouwen van wooncomplexen zonder zorginfrastructuur, zo verwacht de SEV, maar zij houden daarbij wel rekening met een eventuele toenemende zorgbehoefte onder de bewoners.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels