nieuws

Verrekening van schulden

bouwbreed Premium

In ons oude B.W. werd onder het hoofdje ‘van compensatie of vergelijking van schuld’ bepaald, dat schuldvergelijking plaats vindt in de gevallen dat twee personen wederkerig elkaars schuldenaren zijn. Onduidelijk was echter of het op die manier tenietgaan van de wederzijdse verbintenissen van rechtswege plaats had of dat op die compensatie een beroep moest worden gedaan.

Het Nieuw Burgerlijk Wetboek heeft die vraag duidelijk beantwoord: de debiteur, die de bevoegdheid tot verrekening (een veel beter woord dan “vergelijking”) heeft, moet aan zijn crediteur verklaren, dat hij zijn schuld verrekent met diens vordering op hem. Pas daardoor gaan de wederzijdse verbintenissen tot hun gezamenlijk beloop teniet. Van een “vanzelf” tenietgaan, in de wet “van rechtswege” genoemd, is dus geen sprake.

Zo’n beroep op verrekening deed de opdrachtgever van een gebouwencomplex, toen hij door zijn aannemer werd aangesproken tot betaling van het het door hem uitgevoerde meerwerk. Die opdrachtgever wenste dat niet te betalen omdat de blauwe beplating op de gevel van het bedrijfsgedeelte van de bouw niet overeenstemde met de eerder aangebrachte gevelbeplating.

Bij de oplevering was dan ook door de architect in het verslag vermeld, dat de blauwe beplating nog in de kleur van de al eerder aangebrachte beplating moest worden gespoten. Dat zou dus voor november 1988, het jaar van de oplevering, moeten gebeuren.

Maar door de problemen, die over de omvang van het uit te voeren spuitwerk ontstonden, bleef het kleurverschil tussen de oude en nieuwe beplating het hele jaar 1988 te zien. De oorzaak van het gerezen conflict lag in de eis van de opdrachtgever, dat ook de oude platen zouden worden overgespoten. Dat was niet in overeenstemming met de vermelding in het opleveringsrapport van zijn architect en ook niet met de offerte van een schildersbedrijf voor het verrichten van het nodige spuitwerk.

Die offerte had de opdrachtgever van de bouw aan de arbiter van de Raad, die een oplossing moest vinden voor de problemen, overgelegd. Maar het daarin genoemde bedrag van bijna achtduizend gulden voorzag alleen in het overspuiten van dat gedeelte van de nieuwe gevelbeplating, dat niet overeenstemde met de eerder, door dezelfde aannemer aangebrachte, platen.

Dat er kleurverschillen in de gevelbeplating zaten erkende de aannemer wel, maar hij vond, dat hij door het toezicht van de directievoerend architect voor die verschillen niet verantwoordelijk was. Maar daar was de arbiter het helemaal niet mee eens. Die vond, dat door de aanwezigheid op het werk van een directievoerend architect de aannemer niet ten allen tijde gevrijwaard is voor de door of namens hem gemaakte uitvoeringsfouten. Hij heeft immers een duidelijke waarschuwingsplicht en in dit geval had hij daarom de architect of diens opdrachtgever moeten wijzen op het mogelijk optreden van kleurverschillen.

Dat had hij niet gedaan en bovendien had hij de verplichting op zich genomen om voor november 1988 de platen te laten overspuiten. De arbiter moest constateren, dat de aannemer pas voor het eerst weer op 16 november op het werk geweest. Hij had dus aan zijn verplichting niet (op tijd) voldaan. Dat kwam blijkbaar omdat ruzie was ontstaan over de omvang van dat spuitwerk. Als de opdrachtgever op dat tijdstip met de eis kwam, dat alle gevelplaten overgespoten moesten worden, iets wat hij in de procedure ook niet kon volhouden, was dat de oorzaak van de problemen met zijn aannemer. De arbiter vond echter, dat hij daaraan niet al te veel betekenis kon toekennen omdat de aannemer op dat moment al in verzuim was. Er zullen wel heel wat woorden gevallen zijn tussen deze procederende partijen, want de aannemer liet aan de arbiter blijken, dat hij aan het gebouw niet meer wenste te werken. Anders had hij van de arbiter waarschijnlijk de gelegenheid gekregen om het overspuitwerk zelf te (laten) verzorgen. Nu werd hij veroordeeld tot betaling van het bedrag, waarvoor een schildersbedrijf dat werk wilde uivoeren. Over het door de aannemer gevorderde meerwerk-bedrag vermeldt het gepubliceerde vonnis van de arbiter helaas niets. Indien dat bedrag van f 23.600 aan de eisende aannemer is toegewezen -en we zien niet in waarom dat niet het geval zou zijn- rijst de vraag of onder het huidige recht die beide schuldvorderingen met elkaar verrekend konden worden. Omdat de opdrachtgever al had verklaard, dat hij het meerwerkbedrag wilde verrekenen met de kosten van het schilderwerk, kon hij m.i. volstaan met betaling van het verschil tussen de kosten van het meerwerk en het bedrag dat hem door de arbiter was toegewezen. Aan de vier vereisten voor verrekening, die het Nieuw B.W. stelt, wordt in dit geval immers wel voldaan.

(BR 1994 p. 606)

Reageer op dit artikel