nieuws

De catacomben van het Louvre Reconstructie in sfeervolle duisternis

bouwbreed Premium

Iedereen kent het Louvre. Het museum van de Franse hoofdstad. Het herbergt in zijn gigantisch lange ‘armen’ meer dan 300000 kunstwerken uit alle perioden van de geschiedenis. Wereldwijde bekendheid geniet inmiddels ook de glazen piramide die op de binnenplaats oprijst. Velen hebben natuurlijk de weg weten te vinden naar zijn tegenhanger; de omgekeerde piramide. Deze hangt in het spiksplinternieuwe winkelparadijs, dat deel uitmaakt van het Grand Louvre-complex. Veel minder bekend is echter dat sinds kort ook de oudste resten van het Louvre voor publiek zijn opengesteld.

et niet aflatende geroezemoes, de hitte, het licht en de drukte van de centrale hal achterlatend, dringt men via de ingang Sully het Louvre verder binnen. Steeds dieper dwaalt de bezoeker langs delen van de historische collectie en een enorme Sfinx, het kolossale Louvre in. Tenslotte geeft een muur uit de zeventiende eeuw, die is geconstrueerd door architect Le Vau, toegang tot het doel van deze trip, namelijk de oudste resten van het Louvre.

In de ruimte die direct op deze muur volgt is de duisternis haast tastbaar. Je ziet nauwelijks een hand voor ogen. Het enige lichtpuntje is de mooi uitgelichte maquette. Hier doemen als schimmen enkele resten van het oude Louvre op. Dan betreedt de bezoeker de onderaardse ruimtes, die onder het keurige plaveisel van het Cour Carree verscholen liggen. Hier sta je oog-in-oog met de fundamenten van het oorspronkelijke Louvre.

In de loop van de middeleeuwen breidde het kleine stadje Parijs zich steeds meer uit naar de andere oevers van de Seine. De toenmalige vorst achtte het noodzakelijk de bevolking met een muur te beschermen. Tussen 1180 en 1223 liet Philippe August een stadsmuur optrekken. In 1190 ging de vorst voor de derde keer op kruistocht. Vlak voor zijn vertrek gaf hij opdracht tot de bouw van een burcht even buiten deze muur.

Het huidige wereldberoemde museum het Louvre is dus haar leven begonnen als fort. Dit fort was kleiner dan een kwart van het huidige Cour Carree. Philippe August heeft er zelf nooit in gewoond. In zijn tijd deed het gebouw dienst als verdedigingswerk en als gevangenis. De garnizoenen die de stad bewaakten waren er gelegerd en in de enorme toren f. de donjon f. hebben heel wat krijgsgevangenen opgesloten gezeten. Het is KarelV geweest die in de tweede helft van de 14de eeuw het fort heeft laten ombouwen tot residentie. In een van de hoektorens liet hij zelfs een bibliotheek inrichten.

Met de komst van Francois Premier werd in 1528 het fort met de grond gelijk gemaakt. Op de restanten ervan verrees een het nieuwe en veel grotere Louvre. De architect Lescot nam slechts het vierkante karakter van het oude Louvre over voor de nieuwe behuizing van zijn vorst.

Over het ontstaan van het Louvre als fort bestaat voldoende schriftelijk overgeleverde kennis. In diverse boeken en geschriften wordt melding gemaakt van deze burcht. En ook op schilderijen zijn afbeeldingen terug te vinden van dit bouwwerk.

Tot voor kort was er echter geen concreet stuk oud Louvre boven water gekomen. Al jaren stond op de agenda daadwerkelijk feitenmateriaal erover te verzamelen. Daarmee zouden eindelijk de schriftelijke overleveringen ke worden bevestigd. Eind jaren 70 heerste echter de opvatting dat dit soort zaken niet voor het publiek interessant zou zijn. Pas in de periode dat president Mitterand opdracht gaf tot grootschalige renovatie van het Louvre kwam hier verandering in.

In 1981 startte het po ‘Le Grand Louvre’. Een van de belangrijkste onderdelen van dit po was dat het museum van een grote, centrale entree zou worden voorzien. Een entree, die behalve goed zichtbaar en indrukwekkend, ook goed in staat moest zijn de niet aflatende stroom bezoekers op een fatsoenlijke manier te verwerken. Architect Pei bedacht de inmiddels overbekende, glazen piramide als oplossing voor dit probleem.

In de periode dat de grote renovaties aan de gang waren, werden de gesprekken over opgravingen weer hervat. De eerste stappen waren orienterend van aard. In november 1983 werden er zo’n twintig peilingen uitgevoerd om te bekijken of grootschalige opgravingen wel de moeite waard waren. Al eerder, in 1866, waren er opgravingen uitgevoerd. Aldophe Berty bevestigde destijds als eerste dat er inderdaad nog delen van het fort onder het latere Louvre terug waren te vinden. De peilingen uit 1983 wezen echter nog meer uit. Namelijk dat er diverse archeologische lagen waren die nog niet onderzocht waren. In deze lagen bevonden zich veel alledaagse gebruiksvoorwerpen plus een heleboel afval.

Op grond van deze bevindingen is besloten tot verdere opgravingen. Doel was zoveel mogelijk te weten te komen over het alledaagse leven uit alle perioden van het bestaan van het Louvre. Daarnaast wilde men er achter komen of het fort inderdaad het eerste gebouw op deze plek was.

En tot slot was het de bedoeling delen van het oorspronkelijke Louvre zoveel mogelijk intact te laten of te reconstrueren en als ‘crypte archeologique’ aan het publiek te tonen. Tussen 1984 en 1986 werden de opgravingen uitgevoerd.

Wie vandaag de dag het Louvre bezoekt kan langs de voet van het oorspronkelijke fort slenteren. Waar vroeger water stroomde, loopt tegenwoordig de bezoeker. Tussen de muur van de buitenste gracht en de fundamenten van de muur van het fort begeeft hij zich langs de verschillende torens van de burcht f. in totaal tien. Op elke hoek – het oude Louvre had een vierkant grondplan – en halverwege de muren bevinden zich torens. In de zuid- en oostmuur hebben de toegangspoorten gezeten. De poorten werden ieder door twee torens geflankeerd. De zuidmuur is niet opgegraven omdat die onder een deel van het Louvre van nu verscholen zit. Maar met zekerheid is te zeggen dat daarin de belangrijkste toegangspoort heeft gezeten.

De tocht gaat langs een deel van de noordmuur om na de hoek langs de oostmuur te lopen. Halverwege zijn duidelijk de twee torens te zien die naast de toegangspoort aan de kant van de stad hebben gestaan. Heel mooi is het muurtje zichtbaar waarop de ophaalbrug heeft gerust. Het staat in feite vlak voor de ingang. Het parcours leidt de bezoeker daarna naar het binnenste deel van de burcht. Daar staat hij aan de voet van de enorme donjon. De sokkel ervan heeft een diameter van achttien meter. Die dikte was wel noodzakelijk, want vroeger heeft hij een toren van dertig meter hoog gedragen. Ook hier loopt de toeschouwer op de plek waar vroeger een gracht lag. De gracht om de donjon was in tegenstelling tot die buiten het fort droog.

Tot slot kom je in de Salle St. Louis terecht. Dit is een zaal uit een van de ‘corps de logis’ waar de garnizoenen waren gehuisvest. Het oude Louvre heeft hoogstwaarschijnlijk twee van zulke gebouwen gehad. De Salle St.Louis heeft als vergaderruimte dienst gedaan. Schitterend zijn hier de 13de eeuwse kapitelen die grotendeels intact zijn. Het geeft een indruk van het oorspronkelijke interieur van de burcht.

Behalve de vele architectonische resten zijn er ook veel alledaagse gebruiksvoorwerpen gevonden. De grachten waar de bezoeker doorloopt, waren voor de opgravingen tot aan de nok toe gevuld met ‘afval’. Het bovenste gedeelte bestond uit verschillende ongeordende en moeilijk te dateren vuilnishopen. Deze afvalbergen zijn snel gescreend.

Meer aandacht werd besteed aan de lagen daaronder. Daaruit werden voorwerpen opgegraven, uit de allereerste periode. Talloze potten, scherven van glaswerk, sieraden en muntjes kwamen boven. Dit alles was – en dat geldt zeker voor de bovenlaag – vermengd met afval van allerlei aard. Enkele van de vondsten staan geexposeerd in zalen in de buurt van de Salle St.Louis.

Op indrukwekkende wijze zijn delen van het allereerste begin van het Louvre gereconstrueerd en toegankelijk gemaakt voor het publiek. De spaarzaam verlichte ruimtes roepen onmiddellijk associaties met het verleden op. Haast automatisch drijven de gedachten af naar mensen die eeuwen geleden ook langs dit fort hebben gelopen of naar hen die opgesloten zaten in deze enorme en ondoordringbare donjon.

Reageer op dit artikel