nieuws

Portret van Mr. Frans Evers

bouwbreed Premium

De buitenwereld was verbaasd dat milieuman mr. Frans W. R. Evers in 1987 de functie van directeur generaal van de rijksgebouwendienst aanvaardde. Evers was een succesvolle plv. directeur-generaal milieu op dat moment. Nog een jaar en hij zou zeker de toenmalige DG zijn opgevolgd. Maar hij zei ja op de vraag van Ed Nijpels. Ook die wist niet dat Evers van huis uit een grote affiniteit met bouwen had meegekregen. Vader Evers was timmerman en had zijn zoon de liefde voor het construeren in hout bijgebracht. Frans had om die reden zelfs enige tijd bouwkunde in Delft gestudeerd. Dit alles was Ed Nijpels onbekend.

Hij vroeg Evers om management redenen. Er was nieuw elan nodig bij de Rijksgebouwendienst. Iemand met visie moest de hoofdzakelijk op uitvoering gerichte dienst een meer beleidsmatig karakter geven en richting het jaar 2000 loodsen. Nijpels heeft toen een goede greep gedaan. De Rijksgebouwendienst is op stimulerende wijze in de markt aanwezig en heeft haar suffe imago definitief van zich afgeschud. Evers wilde een hoog politiek rendement en “een optimale huisvestingskwaliteit met beperkte middelen” en kreeg dat ook.

Evers heeft de gave van het woord. Hij weet dat en gebruikt dat ook. Het is hem gegeven moeilijke dingen eenvoudig te zeggen en ook de eenvoudige zaken niet moeilijk te maken. Hij doorspekt zijn taal met termen uit de vaar- en voetbalsfeer. Zijn visie op de Rijksgebouwendienst (nu in herziene bijgestelde versie) heet ‘Koersplan’. Hij valt toch even stil als ik hem vraag naar zijn appreciatie van de onderscheiding ( Ridder Orde Nederlandse Leeuw) die hij bij de laatste lintjesregen heeft gekregen.

“Ik ben een gevoelsmens”, verontschuldigt hij zich, “Ik was ontzettend blij en degenen die er bij waren, hebben dat duidelijk gezien. Ik was vooral blij met de onderbouwing zoals die door de minister heel uitvoerig werd gegeven. Het was zo’n compleet beeld van alles wat ik belangrijk vind, dat ik dacht, als je daarop gewaardeerd wordt dan moet je daar heel dankbaar voor zijn. Verder was ik ontzettend blij dat mijn vader het nog mocht meemaken. Die is 84 en daar heb ik veel van geleerd.”

Hij verhaalt hoe zijn jeugd in feite de oorzaak is dat hij nu hier bij de Rijksgebouwendienst zit. “Ik kan heel goed timmeren, ik kan ook redelijk goed metselen. Ik heb affiniteit met het bouwen. Ik heb altijd als kind op de bouw gelopen. Als ik op een bouwplaats kom, zie ik wat er deugt en wat er niet deugt. Ik zie hetzelfde wat een aannemer ziet. En dat is voor een jurist hoogst merkwaardig. Aannemers zijn altijd verbaasd hoe vakkundig ik een eerste steen leg.”

Met nadruk: “En dat is de reden ook dat ik indertijd ja heb gezegd toen Ed Nijpels me vroeg voor deze functie.” Hij omschrijft hoe zijn vader vroeger voor de Rijksgebouwendienst had gewerkt. “Monumenten gedaan, rechtbanken verbouwd, ik wist dus wat de Rijksgebouwendienst was, van oudsher.” Frans Evers heft een klassieke opleiding en daar is hij zeer content mee. “Het geeft een gevoel van ‘roots’. Ik heb eens een informele milieuraad meegemaakt in Griekenland en toen zijn we bij elkaar gekomen op die heuvel waar vroeger de Senaat van Athene vergaderde en daar sprak de toenmalige minister van milieu. En ik wist zo verdraaid goed waar hij het over had toen hij zei: “dit is niet alleen van de Grieken, dit is van ons allemaal”. Ik ben daarna naar Delft gegaan. Dat vond ik niet zoveel. Ik heb wat verbouwingen getekend, die zijn allemaal uitgevoerd. Toen ben ik achttien maanden soldaat geweest. Dat is heel goed voor me geweest. Ik ben in dienst de LOI cursus rechten gaan volgen. Na zes dagen dacht ik: waarom ben ik hier nooit eerder aan begonnen? Ik ben in no time afgestudeerd en om de studie te bekostigen heb ik gevlogen.”

Drie passies

Frans Evers zegt in zijn werkzame leven drie passies te hebben. Luchtvaart, milieu en bouwen. Het is hem gelukt zich met alle drie bezig te houden. Hoe kan hij het rijmen om tegelijk enthousiast voor luchtvaart en het milieu te zijn? “Er is veel menselijk gedrag dat invloed heeft op het milieu en niet alle menselijk gedrag kan je verbieden, simpel omdat het hoort bij het menselijk functioneren. Ik vind dat je de consequenties moet trekken uit het feit dat bepaalde activiteiten milieubelastend zijn. Ik ben de maker geweest van het wetsontwerp zonering van luchtvaartterreinen. De zonering van Schiphol, die nog steeds niet is uitgevoerd, althans het principe daarvan, heb ik bedacht in 1973. Dat wetsontwerp is voor 80% van mijn hand. Het is een hele simpele en duidelijke wet. Het kost anderen kennelijk moeite om dat uit te voeren. Dat wetsontwerp probeert een zekere balans te treffen. Het zegt: “als je kiest van luchtvaart dan heeft dat die en die consequenties”. Op die manier kan je tegenstellingen in de milieusfeer oplossen.”

Voetbal

Buiten het werk heeft Evers nog drie passies: voetbal, zeilen en vogels. In willekeurige volgorde.

Hij volgt vrijwel alle wedstrijden van het Nederlands elftal. Zeker in Nederland, maar ook vaak in het buitenland. Deze zomer zit hij ook in Orlando bij twee wedstrijden langs de kant. Hij heeft nu nog spijt dat hij de wedstrijd in Goteborg heeft gemist. Op de dag van het interview zit hij zich al te verkneuteren dat er ’s avonds een oefenwedstrijd is. Daar gaat hij met acht vrienden in een busje naar toe.

“Ik heb zelf nooit gevoetbald, maar ik heb het voetbalspel altijd erg leuk gevonden. Mijn vader was een goede voetballer. Die heeft jaren in het eerste van Be Quick Zutphen gevoetbald. Hij is ook nog steeds erelid van de supportersvereniging. Toen mijn vrouw en ik trouwden, nu zo’n vijfentwintig jaar geleden, was het bestuur van de supportersclub ook aanwezig. Die zeiden: “hoewel je niet voetbalde, hadden we jou als supporter niet graag gemist”. Ik denk dat ik altijd al interesse heb gehad in de wijze waarop mensen samen dingen doen. Daar is voetbal een fantastisch voorbeeld van.. Het ke excelleren van een ster en het van de andere kant niet ke excelleren, omdat anderen dat niet mogelijk maken.

Een elftal kan dan ook niet alleen uit sterren bestaan. En zo is het overal. Ook in het Nederlands elftal staan mensen opgesteld die bepaald geen ster zijn. Ik heb een geweldige bewondering voor mensen die met vaak beperkte vermogens een maximale output leveren. Bewondering hebben voor talent is een merkwaardige menselijke eigenschap. Je moet geen bewondering hebben voor talent, je moet bewondering hebben voor wat mensen met hun talent doen. Dat is in feite ook het hele principe van management: je moet mensen waarderen op wat ze doen met wat ze hebben meegekregen. Ik me geweldig aan ergeren aan iemand die een geweldig talent heeft, maar daarmee lapzwanst”.

Dat is ook duidelijk te lezen uit het Koersplan wat Evers voor de dienst heeft opgesteld. Daarin zit een haast onambtelijke controle op prestatie van iedereen verankerd. Evers: “ik zal het je nog sterker vertellen. In de gesprekken die wij over het Koersplan hadden met de dienstcommissie bleek dat de overgrote meerderheid vindt dat de leiding best eens wat harder zou mogen optreden tegen hen die de kantjes er af lopen. Dat is dus een collectief gevoel in deze organisatie.”

Evers is zijn hele leven al supporter van Feijenoord. Hij vindt het niet meer dan normaal dat iemand die in de tijd van Kreijermaat en Moulijn is groot geworden niet anders kan dan deze club aanhangen.

“Zeilen doe ik bijna altijd met het hele gezin. Ik kon eerder zeilen dan zwemmen. Als mijn vader vond dat hij een boot moest hebben dan maakte hij er gewoon een. Dat is begonnen met een 16 kwadraat, daarna een boot met kajuit waarin we naar Friesland gingen. Zeilen is mijn obsessie, dat is meer dan een hobby. Ik ben ook met een vrouw getrouwd die van zeilen houdt. Dat was altijd de eerste vraag die ik stelde als ik een leuk meisje ontmoette. We werkten toen allebei bij de KLM. Mijn vrouw als stewardess en ik als steward. We kregen kortverband-werkgeld toen we na vijf jaar eruit gingen. Dat geld hebben we aan een boot besteed. Toen hebben we een casco gekocht. Dat heb ik zelf afgetimmerd en drie jaar later verkocht, daarna weer een casco gekocht en weer afgetimmerd, vier jaar later weer met winst verkocht, toen geld er bij geleend, weer een boot gekocht en nu ben ik aan mijn vierde schip bezig. Zo doe je dat!” Trots wijst hij naar de hoek van de kamer. “Dat is onze boot. Ik heb net een week op Denemarken gevaren. De boot ligt in Noord Duitsland. In 1988 had mijn vrouw er genoeg van om elke keer weer door de Duitse Bocht terug te varen naar Nederland. Waarna we hebben besloten het daar te laten liggen. Ik heb gevaren op Engeland, Kanaaleilanden, Franse kust. Toen hebben we gezegd: eigenlijk zijn Denemarken en Zweden zo mooi, laten we hem daar maar achter laten. Wij gaan ’s zomers altijd vier weken zeilen. Dan zoeken we de rust tussen de eilanden aan de Zweedse oostkust. Maar ik ken ook Denemarken als mijn broekzak.” Hij wordt lyrisch bij de beschrijving van dat landschap: “De noordpunt van Funen bijvoorbeeld. Daar heb je een aantal natuurlijke havens waar ongelofelijk veel vogels zijn en plantensoorten bloeien. Dan kan ik mijn vogelhobby ook botvieren.”

Vogels

Het gesprek komt daarmee op de vogels. Evers is voorzitter van de VogelbeschermingNederland. “Ook dat heeft weer te maken met mijn ouderlijk huis. Wij woonden aan de uiterwaarden. Ik speelde als kind altijd in de uiterwaarden en langs de sloten. Met de leeuweriken en de grutto’s. De grutto is ook mijn lievelingsvogel. Dat is de vogel van mijn jeugd. Nog veel meer dan de kieviet. De grutto is prachtig, ik kan wel uren naar grutto’s kijken. Daar komt al gauw van dat je nesten gaat zoeken, maar altijd in de sfeer van: afblijven met je vingers. Als we ontdekten dat iemand een nest had uitgehaald kreeg hij een pak rammel. Zo is het bij mij begonnen, al vanaf mijn zevende, achtste jaar. Maar ik ben pas lid geworden van Vogelbescherming toen voor een gezelschap van ministers Siegfried Woldhek een verhaal hield over de betekenis van de Waddenzee voor de trekvogels. Dat vond ik een adembenemend verhaal. Hij was toen directeur van Vogelbescherming. Jaren later vroeg hij mij voorzitter te worden.”

Evers heeft een volire thuis. Als ik hem vraag hij het kan rijmen om voor vogelbescherming te wedijveren en tegelijkertijd vogels te houden is hij enigszins gepikeerd. “Het houden van kippen dan?”, probeert hij, maar begint dan uit te leggen dat hij al sinds zijn jeugd vogels houdt omdat er ooit een jonge kanarie was aan komen vliegen. “Je moet je realiseren dat het geen gevangen vogels zijn. Het zijn vogels die generaties lang in kooien zijn groot gebracht. Die ook niet meer in de vrije natuur ke leven. Het zijn huisdieren. Ik ben uiteraard mordicus tegen het vangen van vogels en die dan in een kooitje stoppen.”

De dienst

Toen Evers bij de Rijksgebouwendienst aantrad, maakte hij duidelijk dat hij vijf jaar wilde blijven. “Minstens vijf jaar heb ik gezegd. Dat had zijn redenen. Men vertrouwde het niet dat ik hier kwam. Voor de buitenwacht leek het dat ik een functie bij milieu inruilde voor een minder belangrijke hier. Dat begreep men hier niet en bij milieu ook niet. Er waren veel mensen die dachten dat ik dat alleen maar voor een periode van een jaar zou doen. Bovendien had ik van minister Nijpels en SG Lemstra een opdracht in de sfeer van cultuurverandering. Daar heb je tenminste vijf jaar voor nodig. Ik heb dus duidelijk gemaakt dat ik hier niet als interim-manager kwam. Mensen die dus even niet mee willen doen, wisten dat ze mij nog heel lang zouden tegen komen en ik committeerde mijzelf ook aan het veranderingsproces. Ik heb de afgelopen periode wel aanbiedingen gehad om iets anders te gaan doen. Maar tot nu toe was daar niet iets bij dat ik leuker vond dan dat wat ik nu doe. Dat is voor mij het criterium. Overigens heb ik, behalve voor hofmeester bij de KLM, nog nooit ergens gesolliciteerd.” Na geruime tijd stilte en duidelijk peinzen: “De plaats waar ik zit, is uniek. Er is bijna geen overheidsdienst die zo duidelijk op het snijpunt van markt en overheid werkt. Je moet alert zijn op bijna iedere beleidsbeslissing die gevolgen heeft voor de bouw. Of het nu gaat over asbest of over de toegankelijkheid van gebouwen of over locaties. Wij zitten daarbij aan het eind en moeten het nog uitvoeren ook. Maar we zijn ook een grote opdrachtgever en weten daarom veel van de markt en kennen veel mensen uit de markt. Waarbij aandacht van puur bouw ook verschoven is naar vastgoed en bouw.”

“Er is mij eens een baan aangeboden in de beleggingssfeer. Toen bleek dat voor een fractie van de verantwoordelijkheden die ik hier heb, ik ongeveer een ton meer kon gaan verdienen, maar er waren toch voor de hand liggende redenen om het niet te doen.” Volgens Evers is het veel interessanter om voor de overheid te werken dan voor een marktpartij. Hij verhaalt dat de vroegere secretaris generaal van VROM, de heer Lemstra, daar eens een verhandeling over geschreven heeft. “Hij noemde het schaken op meerdere borden te gelijk. Het is altijd simultaanspelen. De echte beleidsambtenaar vindt dat leuk. Die ziet dat als een ‘skill’. Er is niets mooiers om talenten op dat gebied te ontplooien. Je moet gewoon veel beter zijn om het bij de overheid goed te doen dan bij het bedrijfsleven. dat is misschien een wat overdreven statement, maar het aantal keren dat ik in het bedrijfsleven iemand tegenkom, waarbij ik me afvraag hij hoe in vredesnaam tot zo’n grote hoogte kon stijgen, komt vaker voor dan binnen het departement.”

Audit

Evers vindt het uiterst belangrijk dat een dienst ‘esprit de corps’, trots, heeft. In zijn manier van omgang met de dienst benadrukt hij dat ook. “Sommigen vinden dat een Evers-woord, die ke niet omgaan met dat soort emoties. Wij zijn hier, denk ik, goed bezig. Als marktpartijen zich begeven op terreinen waar wij altijd mee bezig waren, dan blijkt altijd achteraf dat wij het beter deden. Als een marktpartij iets echt beter kan dan moet dat ook snel door die partij gedaan worden. Dat is ook de lijn die ik heb ingezet.”

Over zijn managementstijl: “Er is een kapitein op het schip. Ik houd van consensus, maar niet om verantwoordelijkheden te verdoezelen. Er is er een de baas, die kan adviezen vragen, die kan luisteren, kan delegeren, hij kan ook vragen om te proberen het eens te worden, maar hij verschuilt zich niet achter de consensus. Dat is duidelijk.”

De RGD heeft een tweetal communicatiemiddelen in huis die andere ambtelijke dien sten moeten ontberen. De audit en het videojournaal. Volgens Evers is daarbij de audit het belangrijkste. Dit systeem is binnen de Rijksgebouwendienst ontwikkeld en volgens Evers “volstrekt uniek”. De rest van VROM probeert het over te nemen, maar dat lukt nog maar ten dele. “Wij doen het al zes jaar. Er is een team dat altijd onder mijn leiding staat. Verder zijn het collega directeuren, een groep van tussen de zeven en de tien man. Die gaan op bezoek bij een directie op een van te voren afgesproken datum en die bijeenkomst duurt een halve dag. In die directie is een zaal waarin twee tafels tegenover elkaar staan. Achter de ene tafel het auditteam en achter de andere tafel de leiding van de betrokken directie. In de zaal zitten de medewerkers. Het managementteam van de directie krijgt van het auditteam volkomen onvoorbereid drie kwartier lang vragen voorgelegd die betrekking ke hebben op feiten, op cultuur, op structuur, op concrete poen, op hoe ze met hun ziekteverzuim omgaan, waarom ze daar geld op hebben verloren etc. Dan nemen ze een half uur pauze. Daarna kijk je vooral hoe ze de selectie van de vragen maken. Betrekken ze het publiek erbij? Of behandelt de directeur de zaak alleen? Worden bijvoorbeeld alleen maar de vragen van de DG beantwoord? Je let dus zowel op het proces als op de inhoud. De hele managementsfeer van zo’n directie komt in zo’n audit zo op tafel. De medewerkers in de zaal horen allerlei dingen waar ze daarvoor soms helemaal niets over wisten. Elke directie komt tenminste een keer per jaar aan de beurt. De sfeer is over het algemeen stevig.Iedere vraag moet een voorzet zijn. Met het antwoord moet gescoord worden. Als je hem er niet in kopt, zegt dat iets over de kopper, niet over de voorzet.”

Reageer op dit artikel